Eiseres ontving sinds 2004 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een anonieme melding startte het college een onderzoek naar haar recht op bijstand, waarbij bleek dat het waterverbruik op het uitkeringsadres extreem laag was. Ook het energieverbruik was aanzienlijk lager dan gemiddeld. Eiseres gaf aan angst te hebben voor haar bovenburen en verbleef veel buiten de woning, maar maakte niet aannemelijk dat het zwaartepunt van haar leven op het uitkeringsadres lag.
Het college herzag en trok de bijstandsuitkering in, vorderde €106.581,80 terug en brutering werd toegepast. Eiseres weigerde medewerking aan een huisbezoek, waarop de uitkering werd beëindigd. De rechtbank oordeelt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en dat zij de inlichtingenplicht schond. De intrekking en terugvordering zijn gebonden bevoegdheden van het college.
Eiseres voerde dat haar persoonlijke omstandigheden en psychische druk reden zijn om van terugvordering af te zien, maar dit is niet onderbouwd met bewijs. Het college heeft bij de berekening van de terugvordering het evenredigheidsbeginsel niet betrokken, wat de rechtbank onzorgvuldig acht. Daarom krijgt het college zes weken om een nieuw besluit te nemen over de hoogte van de terugvordering en brutering met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.