ECLI:NL:RBDHA:2023:20717
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op AOW-verzekering bij ontbreken rechtmatig verblijf na invoering Koppelingswet
Eiser vordert erkenning als verzekerde voor de AOW over de periode van 1 juli 1998 tot en met 31 juli 2022, ondanks het ontbreken van een rechtmatige verblijfsstatus in Nederland. Hij beroept zich op het feit dat hij sinds 1991 in Nederland verbleef, premies betaalde en in loondienst werkte, en doet een beroep op de hardheidsclausule van KB 746, het evenredigheidsbeginsel en artikelen 8 en 1 Protocol 1 van het EVRM.
De rechtbank oordeelt dat eiser op grond van artikel 6, tweede lid, van de AOW niet als verzekerde kan worden aangemerkt vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf. De hardheidsclausule van KB 746 is niet van toepassing omdat eiser nooit rechtmatig arbeid heeft verricht. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat de wetgever met de Koppelingswet de situatie van eiser heeft voorzien en gerechtvaardigd heeft geacht.
Ook de beroepen op artikel 8 EVRM Pro en artikel 1 Protocol Pro 1 EVRM worden verworpen. Er is geen bewijs dat het privéleven van eiser onaanvaardbaar werd beperkt en hij had geen legitieme verwachting op AOW-opbouw na 1 juli 1998. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser ontvangt een AOW-pensioen van 14% vanaf 1 augustus 2022.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en hij ontvangt een AOW-pensioen van 14%.