Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], (V-nummer: [V-nummer]),
Procesverloop
Overwegingen
6. De rechtbank overweegt dat de beoordeling in Dublinprocedures of een overdracht in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten tweeledig is. Het eerste aspect van de refoulementsbeoordeling behelst een risicotaxatie die betrekking heeft op de situatie in de mogelijk verantwoordelijke lidstaat, in dit geval Kroatië. Uit de actuele Hofjurisprudentie blijkt dat de rechtmatigheidsbeoordeling van een overdrachtsbesluit bestaat uit het beoordelen van de situatie waarin een individuele Dublinclaimant na overdracht zal verkeren. Indien reëel en voorzienbaar is dat de Dublinclaimant na overdracht in een met artikel 4 van Pro het Handvest-strijdige situatie terecht zal komen die het gevolg is van systeemfouten in de asielprocedure en/of opvang en die situatie de hoge zogenoemde “Jawo-drempel” haalt, is de overdracht aan die lidstaat absoluut verboden. Het Hof heeft in het arrest X van 29 februari 2024 (ECLI:EU:C:2024:195) verduidelijkt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel het uitgangpunt is en het interstatelijk vertrouwen de risicotaxatie beheerst die moet worden verricht om te beoordelen of een overdracht kan plaatsvinden.
(…)
7. De rechtbank overweegt dat om te beoordelen of een overdracht in strijd is met artikel 4 Handvest Pro, onder omstandigheden ook moet worden beoordeeld of de enkele overdracht op zichzelf vanwege de medische gevolgen voor de Dublinclaimant in de weg staat aan de effectuering van een overdrachtsbesluit. Het Hof heeft in het arrest C.K (arrest van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127) het toetsingskader uiteen gezet om te beoordelen of de enkele overdracht aan een andere lidstaat resulteert in een schending van artikel 4 Handvest Pro. De rechtbank is verplicht om zo nodig ambtshalve te waarborgen dat de artikel 4 van Pro het Handvest ten volle wordt geëerbiedigd. De rechtbank acht het noodzakelijk om zich in dit kader nader te vergwissen van de medische en psychische conditie van eiser.
(…)
10. De rechtbank heeft eiser ter zitting gevraagd om te vertellen hoe het op dit moment met hem gaat en om nader uit te leggen waarom hij in Kroatië herinneringen kreeg aan zijn land van herkomst. Eiser heeft hierop ter zitting uitgebreid en gedetailleerd verklaard over de begeleiding die hij thans krijgt en de afleiding die hij zoekt om niet na te hoeven denken over zijn ervaringen in Kroatië en Turkije. Eiser heeft verklaard veel na te denken over de wreedheid van het handelen van de politie en de folteringen in Turkije. De ervaringen in Kroatië zoals de pushbacks, het horen van de schoten en het meenemen naar een politiecel, herinneren eiser, zo heeft hij verder verklaard, aan de dood van zijn broer door de politie in Turkije. In Nederland heeft eiser meerdere malen gedacht om zijn eigen leven te beëindigen. Eiser heeft verklaard dat Kroatië veel bij hem losmaakt.
11. De rechtbank overweegt dat uit de uitdraai van het patiëntendossier van 2 februari 2024 blijkt dat eiser kampt met fysieke en psychische problematiek die verband lijkt te houden met feiten en omstandigheden die deels niet in Kroatië hebben plaatsgevonden. Eiser heeft evenwel ter zitting uitgelegd waarom de ervaringen die hij in de zeer korte duur van zijn verblijf in Kroatië heeft opgedaan hem herinneren aan de detentie in Turkije en daarom traumatisch zijn geweest. Eiser heeft toegelicht dat de mogelijke terugkeer naar Kroatië deze herinneringen activeren. Eiser heeft op 2 juli 2024 een overzicht overgelegd van recente afspraken met de POH-GGZ. Uit deze producties blijkt dat eiser frequent gesprekken heeft bij wijze van behandeling. Eiser heeft voorts toegelicht dat hij vanuit het AZC Baexem waar hij verblijft, aanvullende begeleiding krijgt en hij gesteund wordt vanuit een netwerk onder meer vanuit een kerkelijke gemeenschap waarin hij als een voorganger functioneert. Eiser heeft ter zitting verklaard dit netwerk en ook de behandeling vanuit de GGZ noodzakelijk te achten.
(…)
14. De rechtbank doet een tussenuitspraak om eiser in de gelegenheid te stellen stukken te overleggen die zijn (mede ter zitting afgelegde) verklaringen over medische en andere hulp die hij thans krijgt te staven.
73 Het kan echter niet worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een bijzonder slechte gezondheidstoestand op zich voor de betrokkene een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest kan inhouden, ongeacht de kwaliteit van de opvang en de zorg die aanwezig zijn in de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek.
74 In omstandigheden waarin de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van die asielzoeker zou inhouden, zou die overdracht een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van dat artikel vormen.
75 Wanneer een asielzoeker, in het bijzonder in het kader van de doeltreffende voorziening in rechte die hem door artikel 27 van Pro de Dublin III-verordening wordt gewaarborgd, objectieve gegevens overlegt, zoals medische attesten met betrekking tot zijn toestand, die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, mogen de autoriteiten van de betrokken lidstaat, de rechterlijke instanties daaronder begrepen, die gegevens bijgevolg niet buiten beschouwing laten. Zij moeten juist beoordelen wat het risico is dat dergelijke gevolgen zich voordoen wanneer zij beslissen over de overdracht van de betrokkene of – in het geval van een rechterlijke instantie – oordelen over de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit, aangezien de tenuitvoerlegging van dat besluit tot een onmenselijke of vernederende behandeling van de betrokkene zou kunnen leiden (zie naar analogie arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 88).
76 Het staat dus aan die autoriteiten om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen. In het bijzonder wanneer er sprake is van een ernstige psychische aandoening, mag daarbij niet worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar moet rekening worden gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien.
77 De autoriteiten van de betrokken lidstaat moeten in dat verband nagaan of de gezondheidstoestand van de betrokken persoon passend en voldoende kan worden beschermd door de in de Dublin III-verordening bedoelde voorzorgsmaatregelen te treffen, en die maatregelen in voorkomend geval ten uitvoer brengen.
3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:586, onder 8 en 12), moet de vraag of de overdracht van een vreemdeling met een bijzonder slechte gezondheidstoestand op zichzelf een reëel en bewezen risico op aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand inhoudt, worden onderscheiden van de vraag of in die andere lidstaat na de overdracht voor die vreemdeling passende medische zorg aanwezig is. Zowel de overdracht zelf als de afwezigheid van passende medische zorg kunnen immers een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling tot gevolg hebben. In deze uitspraak gaat de Afdeling, gelet op de grieven, nader in op de situatie van de overdracht zelf.
bewezenrisico” heeft gehanteerd, dit dezelfde bewijsdrempel inhoudt als “een reëel en
voorzienbaarrisico op een artikel 4 Handvest Pro-schending, hoewel de letterlijke bewoordingen, naar het oordeel van de rechtbank, suggereren dat een bewezen risico een hogere bewijslast met zich zou brengen.
aantonen, waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, (…), overweegt de rechtbank dat het moeten “aantonen” van de (aanzienlijke en onomkeerbare) gevolgen van de overdracht niet een hogere bewijslast kan inhouden dan die het Hof in C.K. heeft geduid. Bij het beoordelen of de gevolgen van de enkele overdracht aan de overdracht in de weg staan omdat dit tot een schending van artikel 4 Handvest Pro leidt, verricht de rechtbank dus dezelfde risicotaxatie met dezelfde bewijsdrempel als bij het beoordelen of systeemgebreken in de asielopvang of asielprocedure aan overdracht in de weg staan.
onder meerintreedt wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in deze uitspraak dus niet heeft overwogen dat de vergewisplicht
uitsluitendintreedt als een medisch deskundige het suïciderisico als reëel of hoog inschat. Dat zou overigens ook niet overeenkomstig het arrest C.K. zijn, maar een hogere bewijslast bij de vreemdeling neerleggen. Het Hof heeft in het arrest C.K. de toets of artikel 4 Handvest Pro aan een overdracht in de weg staat uitgebreid door te duiden dat de enkele overdracht óók een 4 Handvest-risico met zich kan brengen en dat het aan de vreemdeling is om objectieve gegevens te overleggen. Het Hof geeft echter als voorbeeld dat de vreemdeling met medische attesten met betrekking tot zijn toestand, de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht kan aantonen en dat het dan aan de lidstaat is om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen.
uit de door eiser overgelegde actuele medische informatie op geen enkele wijze valt af te leiden dat er sprake is van een situatie waaruit blijkt dat de overdracht aan Kroatië een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. In dat verband is bovendien van belang dat uit het patiëntendossier van eiser blijkt dat suïcidaliteit op dit moment niet speelt en eisers behandelaar evenmin heeft aangegeven dat er een reëel risico bestaat dat eiser suïcide zal plegen als gevolg van de overdracht.” blijkt geeft van een te beperkte beoordeling van het 4 Handvest-risico. Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat de enkele overdracht een reëel een voorzienbaar risico meebrengt op een schending van artikel 4 Handvest Pro, zal de rechtbank de overdracht tenminste tijdelijk moeten verbieden. Het is aan de vreemdeling om -ook en naast zijn eigen verklaringen- objectieve informatie over te leggen waaruit de ernst van de bijzondere ernst van zijn medische problemen blijkt en om aannemelijk te maken dat de enkele overdracht aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor zal hebben. In dat geval is het aan de autoriteiten om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen.
gedurende de feitelijke overdrachtzal verwezenlijken. Een dergelijk risico, zou indien dit is ingegeven door een suïciderisico zoals mogelijk bij eiser aan de orde is, immers eenvoudig te voorkomen zijn door het bieden van fysieke begeleiding gedurende die overdracht. Het -kort gezegd- kunnen voorkomen dat tijdens de feitelijke overdracht een geslaagde suïcidepoging plaatsvindt, is evenwel niet voldoende om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen. De wetenschap bij een vreemdeling met een bijzonder slechte gezondheidstoestand dat een overdracht zal plaatsvinden, kan immers ook tot een suïcide-dreiging voor of na de feitelijke overdracht leiden. De Afdeling heeft overwogen dat (…)
De staatssecretaris kanin beginselmet het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten voorafgaand aan, tijdens of direct na de reis, de gerezen twijfel over een schending van artikel 3 van Pro het EVRM als gevolg van de overdracht zelf wegnemen.(…) en niet dat dit altijd volstaat om de overdracht alsnog te mogen effectueren. Dat in de verantwoordelijke lidstaat medische zorg en begeleiding beschikbaar en toegankelijk is, is evenmin voldoende om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht voor de gezondheid van de betrokkene weg te nemen.
de behandelaarvan eiser uitdrukkelijk moet mededelen dat “indien eiser wordt overgedragen, dit aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor zijn toch al bijzonder ernstige medische situatie zal hebben omdat het risico dat eiser suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht reëel of hoog is”.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 23 februari 2024;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.187,50 aan proceskosten aan eiser.