ECLI:NL:RBDHA:2024:3193
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid verlenging beslistermijn asielaanvragen met WBV 2022/22
Eiser diende op 6 december 2022 een asielaanvraag in waarop de staatssecretaris op grond van WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden verlengde, waardoor de termijn tot 6 maart 2024 zou lopen. Eiser stelde de staatssecretaris echter al op 8 juni 2023 in gebreke en startte op 27 juni 2023 een beroep tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank onderzoekt de rechtmatigheid van WBV 2022/22, waarbij de staatssecretaris de verlenging baseerde op artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet, een implementatie van artikel 31, derde lid, derde volzin en onder b, van de Procedurerichtlijn. De rechtbank oordeelt dat deze bepaling uitsluitend ziet op een plotselinge toename van asielaanvragen tegelijk, en niet op een combinatie van factoren zoals bestaande achterstanden.
De rechtbank constateert dat er al voor de inwerkingtreding van WBV 2022/22 sprake was van forse achterstanden bij de IND, waardoor de verlenging niet rechtsgeldig is. De rechtbank verklaart WBV 2022/22 onverbindend wegens strijd met Unierecht, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en legt een termijn van acht weken op waarbinnen de staatssecretaris alsnog moet beslissen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500,- bij overschrijding van deze termijn en wijst het verzoek om vaststelling van een bestuurlijke dwangsom af. De proceskosten van eiser worden vergoed. De rechtbank benadrukt dat de oplossing van het capaciteitsprobleem bij de IND aan de wetgever is.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 11 maart 2024.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en beveelt de staatssecretaris binnen acht weken alsnog te beslissen.