ECLI:NL:RBDHA:2024:7139
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting
De staatssecretaris heeft op 4 maart 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd eerder door de rechtbank getoetst en als rechtmatig beoordeeld tot 12 maart 2024. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank beoordeelde of het voortduren van de maatregel na 12 maart 2024 rechtmatig is. Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn omdat de Tunesische autoriteiten niet inhoudelijk reageerden op de aanvraag van een laissez-passer. De rechtbank oordeelde dat ondanks het uitblijven van een reactie, er wel degelijk zicht is op uitzetting, mede gelet op eerdere uitzettingen in 2022 en 2023.
Daarnaast stelde eiser dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend was en dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en het strikte detentieregime. Deze gronden werden verworpen omdat de staatssecretaris meerdere malen heeft gerappelleerd en de rechtbank geen aanleiding zag om het eerdere oordeel over het gezinsleven en het regime te herzien.
De rechtbank concludeerde dat de belangenafweging door de staatssecretaris voldoende was gemaakt en dat eiser niet voldeed aan zijn meewerkplicht. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen rechtsmiddel tegen deze uitspraak mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.