Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank heeft eerder meerdere malen de rechtmatigheid van deze maatregel getoetst en onderzoekt nu of de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was.
Eiser stelde dat de Nederlandse implementatie van de Terugkeerrichtlijn onjuist was, dat het zicht op uitzetting naar Gambia ontbrak door defecte vingerafdrukapparatuur, en dat de minister onvoldoende voortvarend aan de uitzetting werkte. De rechtbank verwierp deze bezwaren, stellende dat de wetgever de richtlijn adequaat had geïmplementeerd, het zicht op uitzetting niet ontbrak omdat eiser onvoldoende meewerkte aan identificatie, en dat de minister voldoende inspanningen had verricht.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was voortgezet tot aan de opheffing op 6 augustus 2025. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.