Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres 1] , v-nummer: [nummer 1]
[referent], v-nummer: [nummer 5] , referent
Rechtbank Den Haag
Eisers, familieleden van een referent die sinds 2020 een verblijfsvergunning heeft, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf aan voor gezinshereniging. De minister wees deze aanvraag af, stellende dat er geen beschermenswaardig familieleven bestond tussen de referent en zijn oudere broer en zus, en dat de belangenafweging ten aanzien van de moeder en het zusje negatief uitviel.
Eisers voerden aan dat de minister onjuist had getoetst of sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dat de belangenafweging onvoldoende rekening hield met hun situatie, waaronder de handicap van de broer en de beperkte bewegingsvrijheid van vrouwen in Pakistan. De rechtbank oordeelde dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken en dat de belangenafweging een fair balance vormde tussen het belang van eisers en het Nederlandse toelatingsbeleid.
De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van een bevoegdheidsgebrek en dat het beroep ongegrond was. Eisers kregen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak bevestigt dat de aanwezigheid van bijkomende elementen van afhankelijkheid en een positieve belangenafweging essentieel zijn voor het toekennen van een machtiging tot verblijf op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.