ECLI:NL:RBDHA:2025:23399

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
NL25.47574 en NL25.47575
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van asielaanvraag en overdracht onder de Dublinverordening met betrekking tot Roemenië

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 19 november 2025, met zaaknummers NL25.47574 en NL25.47575, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag beoordeeld. Eiser, die stelt de Iraakse nationaliteit te hebben, heeft zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De rechtbank oordeelt dat de aanvraag niet in behandeling is genomen omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag, conform de Dublinverordening. Eiser voert aan dat er een reëel risico bestaat op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, en dat verweerder ten onrechte heeft volstaan met een standaardvoornemen zonder zijn individuele omstandigheden te betrekken.

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat lidstaten van de EU hun verdragsverplichtingen nakomen en dat van dit uitgangspunt slechts kan worden afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat er ernstige tekortkomingen zijn in het asiel- en opvangsysteem van Roemenië. De rechtbank concludeert dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat er sprake is van een reëel risico op een slechte behandeling na overdracht aan Roemenië. De rechtbank wijst erop dat verweerder voldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom de aanvraag niet in behandeling is genomen en dat eiser in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.47574 en NL25.47575

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Iraakse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2006 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Roemenië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat ten aanzien van Roemenië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Bij overdracht naar Roemenië bestaat er een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM [2] en artikel 4 van het Handvest [3] . De Afdeling [4] heeft in haar uitspraak van 1 februari 2024 [5] geoordeeld dat er nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, maar in deze uitspraak is niet het meest recente AIDA-rapport (update juli 2024) meegenomen. Eiser heeft aan de hand van zijn persoonlijke verklaringen duidelijk gemaakt dat de situatie is verslechterd. Er
zou sprake zijn van een structureel en systematisch probleem betreft mishandelingen van asielzoekers. Verweerder had toepassing moeten geven aan artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening. Daarnaast stelt eiser dat verweerder ten onrechte heeft volstaan met een standaardvoornemen. Ter ondersteuning wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling [6] van 23 november 2023 [7] .
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Standaard voornemen
6. Met betrekking tot eisers stelling dat verweerder gebruik heeft gemaakt van standaardoverwegingen in het voornemen waardoor de door eiser naar voren gebrachte individuele omstandigheden ten onrechte niet gemotiveerd betrokken zijn in het voornemen, oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat in het voornemen duidelijk uiteen is gezet dat, en op welke gronden Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat er geen aanleiding wordt gezien om de aanvraag alsnog in behandeling te nemen. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van verweerder dragende overwegingen opgenomen. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 23 november 2023 en 11 april 2025 [8] , waaruit afgeleid kan worden dat een standaardvoornemen in een dergelijke situatie wel aan de vereisten voldoet. Verder overweegt de rechtbank dat eiser in de gelegenheid is gesteld om door middel van een zienswijze te reageren op het voornemen. Eiser heeft hier dan ook gebruik van gemaakt. Vervolgens is verweerder in het bestreden besluit ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Roemenië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hiervan sprake is. De Afdeling heeft in verschillende uitspraken [9] geoordeeld dat ten aanzien van Roemenië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In deze uitspraken heeft de Afdeling het AIDA-rapport (update 2022) betrokken. Het door eiser aangehaalde AIDA-rapport (update 2023) van juli 2024 heeft de Afdeling niet betrokken, maar dit AIDA-rapport laat geen wezenlijk ander beeld zien dan het AIDA-rapport (2022 update). Eiser vreest dat hij zal worden mishandeld en vernederd en wijst daarbij op paragraaf 1.2.7. van het AIDA-rapport (update 2023). Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de passage ziet op de slechte behandeling van asielzoekers aan de Roemeense grens. Eiser zal nu worden overgedragen worden in het kader van de Dublinverordening en zal dus op een legale wijze Roemenië betreden. Eiser heeft geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht dat hij na overdracht een reëel risico loopt om een slechte behandeling te ondergaan. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat Roemenië met het aanvaarden van het terugnameverzoek heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen conform de internationale verplichtingen. Daarbij komt dat als eiser meent dat Roemenië handelt in strijd met Europese richtlijnen, hij hierover een klacht kan indienen bij de Roemeense autoriteiten. Niet is gebleken dat de Roemeense autoriteiten eiser niet willen helpen of dat klagen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd dat deze maken dat zijn overdracht aan Roemenië van een onevenredige hardheid getuigt. Het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

7.
De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [10] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
4.De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:326.
6.De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642.
9.Zie onder andere de uitspraken van de Afdeling van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4844, van 8 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:27, van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:912, van 21 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1176, van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2938, en van 22 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2970.
10.Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.