ECLI:NL:RBDHA:2025:7598

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
6 mei 2025
Zaaknummer
NL25.9993
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArtikel 12 DublinverordeningArtikel 17 DublinverordeningArtikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk

Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de minister nam de aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 28 april 2025.

Eiser voerde aan dat Frankrijk ernstige tekortkomingen kent in opvang en rechtsbescherming, en dat hij vanwege doodsbedreigingen niet naar Frankrijk kan terugkeren. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser onvoldoende objectieve aanwijzingen heeft geleverd om dit te weerleggen. Ook de medische stukken over psychische problematiek en suïciderisico boden onvoldoende grond om overdracht te weigeren.

Verder stelde eiser dat de minister zijn asielaanvraag aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening wegens bijzondere omstandigheden, maar ook dit werd afgewezen omdat onvoldoende onderbouwing was gegeven. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat overdracht aan Frankrijk kan plaatsvinden. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en overdracht aan Frankrijk bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9993

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

V-nummer: [v-nummer:] ,
(gemachtigde: mr. A.A. Scholtmeijer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. D.L. Boer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, [1] op 28 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 2] als tolk, en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.2.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, die in de Dublinverordening staat. [2] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland op 8 november 2024 bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 8 januari 2025, op grond van artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening aanvaard.
Verwijzing naar de zienswijze
5. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is niet bespreken.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel Frankrijk
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk. Eiser voert aan dat er in Frankrijk ernstige problemen zijn ten aanzien van de omstandigheden voor steun en hulpverlening en dat er een gebrek is aan ontvangst en ondersteuning in Frankrijk. Volgens eiser zijn er verder grote obstakels bij de toegang tot de opvangcentra, bestaan er problemen ten aanzien van de rechtsbescherming en is er onvoldoende opvangcapaciteit. Volgens eiser willen de Franse autoriteiten hem daarnaast niet helpen met de doodsbedreigingen die hij krijgt en verkeert hij in bewijsnood. Hij kan de Franse autoriteiten namelijk niet benaderen over deze kwestie, omdat hij in onmiddellijk levensgevaar verkeert zodra hij zich op Franse bodem begeeft.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister mag ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). [4] Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de opvangvoorzieningen en de asielprocedure, zodat niet langer uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarin is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Eiser heeft in beroep immers geen objectieve aanknopingspunten overgelegd op basis waarvan het vermoeden dat Frankrijk aan zijn verdragsverplichtingen voldoet, wordt weerlegd.
6.2.
De minister stelt verder terecht dat Frankrijk met het claimakkoord de garantie heeft gegeven dat de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van de Europese regelgeving, in behandeling wordt genomen. De minister had gelet op het vorenstaande geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te doen of ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Mocht eiser van mening zijn dat Frankrijk zich niet aan zijn verdragsverplichtingen houdt, dan ligt het op de weg van eiser om daarover te klagen bij de daartoe bevoegde Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat de daartoe bevoegde Franse autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen. De enkele - niet nader onderbouwde - stelling van eiser dat hij niet kan klagen omdat hij in onmiddellijk levensgevaar verkeert als hij zich op Franse bodem begeeft volgt de rechtbank dan ook niet.
Medische omstandigheden
7. Eiser stelt zich van het leven te beroven als hij moet terugkeren naar Frankrijk. Er is aldus sprake van ernstige psychische problematiek en er is sprake van een suïciderisico. [5] Eiser heeft in de beroepsfase, ter onderbouwing van dit standpunt, medische stukken overgelegd. Overdracht heeft in eisers geval een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg. [6] De minister had volgens eiser naar aanleiding van zijn uitlatingen nader onderzoek moeten doen naar het suïciderisico en zijn onderliggende psychische klachten. Overdracht levert door zijn psychische ziekte en het suïciderisico een schending op van artikel 4 van Pro het Handvest.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht van een asielzoeker achterwege dient te blijven indien dit een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou inhouden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. [7] Uit de Werkinstructie 2021/3 volgt dat de vreemdeling, in geval van suïcidedreiging, objectieve medische stukken van een behandelaar dient te overleggen die aantonen dat de behandelaar het risico dat een vreemdeling suïcide zal plegen als gevolg van de overdracht als reëel inschat.
7.2.
In het kader van de zogenoemde ex-nunc toets overweegt de rechtbank dat uit de door eiser overgelegde medische stukken blijkt dat sprake is van psychische problemen en dat eiser een suïcide-uiting heeft gedaan. In de stukken is eveneens opgenomen dat eiser nu geen actieve suïcidale neigingen heeft. Uit de stukken blijkt verder niet dat het risico bestaat dat deze problemen aanzienlijk en onomkeerbaar zullen verslechteren als gevolg van de overdracht zelf. In de medische stukken worden de eventuele gevolgen van een overdracht niet genoemd. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de minister een vergewisplicht heeft. De stelling van eiser dat de suïcidale neigingen zich weer zullen voordoen wanneer hij terug zou moeten naar Frankrijk leidt niet tot een ander oordeel. Uit de medische stukken blijkt immers niet dat de behandelaar het risico op suïcide wegens de overdracht als reëel inschat.
7.3.
De verwijzingen van eiser naar de uitspraken van zittingsplaatsen Haarlem [8] , Den Haag [9] , Zwolle [10] , Groningen [11] , Utrecht [12] , Rotterdam [13] en Middelburg [14] leiden evenmin tot een ander oordeel. In die zaken had de minister een vergewisplicht naar aanleiding van een met medische stukken onderbouwd risico op suïcide. In de onderhavige zaak is daar geen sprake van. De beroepsgronden slagen niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
8. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag aan zich had moeten trekken. Hiertoe voert eiser aan dat er concrete aanwijzingen zijn dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt en dat er persoonlijke omstandigheden zijn die maken dat behandeling van zijn asielverzoek in Nederland in de rede ligt volgens artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet voldoende bijzonder zijn om van de overdracht aan Frankrijk af te zien vanwege een onevenredige hardheid. Eiser heeft de gestelde problemen met de Franse autoriteiten niet onderbouwd. Bovendien heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser in het geval van een onrechtmatige behandeling kan klagen bij de autoriteiten in Frankrijk. Het is niet gebleken dat eiser heeft geprobeerd te klagen en evenmin dat klagen niet mogelijk is. De minister had dan ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Frankrijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt en op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL25.9994.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Zie bijvoorbeeld ABRvS 10 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2362, ABRvS 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2625, ABRvS 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en ABRvS 3 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4011.
5.Eiser verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K. tegen Slovenië).
6.Eiser verwijst hierbij naar uitspraken van de rechtbank Den Bosch, van 11 april 2017, AWB17/5691 en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1986.
7.Afdelingsuitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7.
8.Uitspraak van 14 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19901 en uitspraak van 19 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22461.
9.Uitspraak van 8 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3124 en uitspraak van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:15785.
10.Uitspraak van 26 maart 2024, NL23.39318.
11.Uitspraak van 10 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16509.
12.Uitspraak van 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17692, en uitspraak van 5 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22306,
13.Uitspraak van 31 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20400.
14.Uitspraak van 23 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:313.