Eiser diende op 3 januari 2024 een asielaanvraag in en stelde de minister op 9 augustus 2024 in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing. De minister had de beslistermijn met negen maanden verlengd op grond van WBV 2023/26, maar de rechtbank oordeelt dat deze verlenging onrechtmatig is omdat er onvoldoende sprake is van een groot aantal gelijktijdige asielaanvragen die een dergelijke verlenging rechtvaardigen.
De rechtbank baseert zich op eerdere uitspraken waarin ook de verlengingen met WBV 2022/22 en WBV 2023/3 onrechtmatig werden verklaard. De minister kreeg voldoende tijd om maatregelen te treffen en de stijging in asielaanvragen was niet zodanig dat de wettelijke termijn niet gehaald kon worden.
De rechtbank stelt dat de minister uiterlijk op 3 juli 2024 een beslissing had moeten nemen en dat de ingebrekestelling van eiser geldig was. De minister wordt opgedragen binnen maximaal zestien weken een besluit te nemen, verdeeld in acht weken voor het eerste gehoor en acht weken voor het besluit. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding opgelegd, met een maximum van €7.500.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €680,25. De uitspraak is gedaan zonder zitting en kan binnen vier weken worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.