Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiseres
[naam 3], V-nummer [nummer 3],
Rechtbank Den Haag
Eiseres en haar minderjarige kinderen dienden op 3 december 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Bulgarije volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiseres stelde dat Bulgarije alleen een claimakkoord voor haar had gegeven en niet voor haar kinderen, en voerde aan dat het Bulgaarse asielsysteem ernstige tekortkomingen kent.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat Bulgarije de internationale verplichtingen nakomt. De rechtbank vond dat de minister voldoende rekening had gehouden met de belangen van de kinderen en dat eiseres onvoldoende had onderbouwd waarom overdracht aan Bulgarije onevenredig hard zou zijn, ook niet met betrekking tot de gezinsband met haar echtgenoot in Nederland.
Het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting werd aangemerkt als een aanvulling op het beroep, maar het verzoek om voorlopige voorziening werd kort voor de zitting ingetrokken. De rechtbank concludeerde dat de minister niet tekort was geschoten in motivering en zorgvuldigheid en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.