Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10684

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
NL24.16886
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382Artikel 6:19 AwbArtikel 6, vierde lid, TerugkeerrichtlijnArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke bescherming en oplegging terugkeerbesluit aan derdelander uit Pakistan

Eiseres, een derdelander uit Pakistan die tijdelijke bescherming genoot op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming vanwege de situatie in Oekraïne, betwist de beëindiging van deze bescherming en de oplegging van terugkeerbesluiten door de minister. De rechtbank oordeelt dat de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 terecht is en dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 prematuur was en daarom niet-ontvankelijk verklaard wordt. Het latere terugkeerbesluit van 31 juli 2025 is rechtsgeldig.

Eiseres voerde aan dat het terugkeerbesluit prematuur was vanwege een bevriezingsmaatregel die haar rechten als tijdelijk beschermde verlengde, en dat de SIS-signalering in strijd was met het arrest Gnandi en haar rechten zou schaden. De rechtbank verwierp deze gronden, stellende dat de bevriezingsmaatregel geen rechtmatig verblijf impliceert en dat de SIS-signalering terecht is opgelegd en tijdelijk is opgeschort.

Verder stelde eiseres dat het terugkeerbesluit in strijd was met het non-refoulementbeginsel vanwege haar persoonlijke omstandigheden en risico's in Pakistan. De rechtbank vond dat de minister voldoende onderzoek had gedaan en dat er geen zwaarwegende, op feiten berustende gronden waren om aan te nemen dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro.

De rechtbank veroordeelde de minister in de proceskosten van eiseres en wees het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 af wegens niet-ontvankelijkheid en het beroep tegen het besluit van 31 juli 2025 ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het terugkeerbesluit van 31 juli 2025 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16886

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. T.E. van Houwelingen-Boer),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiseres toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) [1] en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiseres toegekende facultatieve tijdelijke bescherming na 4 maart 2024 heeft beëindigd en per die datum een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiseres bij besluit van 16 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan haar toegekende tijdelijke bescherming op 4 september 2023. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend. Op 24 januari 2024 heeft de minister dit besluit ingetrokken en eiseres erover geïnformeerd dat haar recht op tijdelijke bescherming automatisch stopt na 4 maart 2024 en zij een nieuw terugkeerbesluit zal krijgen.
2.1.
Op 21 februari 2024 heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit genomen waarin eiseres is meegedeeld dat de aan haar toegekende tijdelijke bescherming van rechtswege na 4 maart 2024 eindigt. Hiertegen heeft eiseres het onderhavige beroep ingesteld. Ook heeft zij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL24.16888). Eiseres heeft op 24 april 2024 beroepsgronden ingediend.
2.2.
Bij uitspraak van 19 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat eiseres moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op haar van toepassing is tot uitspraak is gedaan op het beroep.
2.3.
Bij besluit van 31 juli 2025 heeft de minister eiseres meegedeeld dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Ook is eiseres hierin medegedeeld dat de aan haar toegekende tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd. Hiertegen heeft eiseres op 21 oktober 2025, 25 november 2025, 26 februari 2026 en 27 februari 2026 aanvullende gronden gericht. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en inleidende opmerkingen
3. Eiseres komt uit Pakistan. Zij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 [2] van 4 maart 2022. Ook heeft zij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 15 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld. De gang van zaken van daarna staat beschreven in het procesverloop onder 2.
3.1.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) hebben op 29 maart 2024 [3] en 25 april 2024 [4] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). [5] Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [6] uitgelegd hoe dit arrest moet worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij heeft besloten om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025 te beëindigen. [7] Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. [8]
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024
4. Het beroep van eiseres is in eerste instantie gericht tegen het op 21 februari 2024 genomen terugkeerbesluit. Partijen zijn het erover eens dat eiseres geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen dit besluit. De minister heeft het prematuur genomen terugkeerbesluit van 21 februari 2024, als gevolg van het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, vervangen door het terugkeerbesluit van 31 juli 2025. Niet is gebleken van omstandigheden die maken dat eiseres een belang heeft bij het tegen het besluit van 21 februari 2024 gerichte beroep. Daarom is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. [9]
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 31 juli 2025
5. In het besluit van 31 juli 2025 staat dat de minister het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024 intrekt en vervangt door het met dat besluit opgelegde terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit besluit aanmerken als een besluit tot vervanging van het eerdere terugkeerbesluit, als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Is het terugkeerbesluit prematuur vanwege de bevriezingsmaatregel?
6. Eiseres betoogt dat het terugkeerbesluit van 31 juli 2025 prematuur en daarmee ten onrechte is genomen omdat zij op grond van de bevriezingsmaatregel van de minister nog altijd gebruik mocht maken van de rechten die zij als tijdelijk beschermde had en daarmee rechtmatig verblijf had. Tot en met 4 september 2025 maakte eiseres aanspraak op alle rechten die voortvloeien uit de Richtlijn, waaronder het recht op opvang en het recht om te werken, waarmee zij tot die datum toestemming tot verblijf had in de zin van artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn dan wel een formele gedoogstatus had als bedoeld in het Terugkeerhandboek. [10] Eiseres verwijst specifiek naar punt 5.6 van het Terugkeerhandboek. De daar beschreven situatie, waarin geen terugkeerbesluit wordt opgelegd, is op haar van toepassing. Eiseres betoogt dat omdat zij gelet op de bevriezingsmaatregel recht op opvang hield en mocht blijven werken, wel sprake moet zijn geweest van rechtmatig verblijf omdat anders geen sprake kan zijn van het legaal verrichten van arbeid op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en op grond van de Regeling opvang Oekraïners (Roo) geen opvang mag worden geboden. Alleen begunstigden van de Richtlijn mogen werken en hebben recht op opvang, aldus eiseres. Het terugkeerbesluit acht eiseres in strijd met artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn en de uitgangspunten van het Terugkeerhandboek. Op dat wat eiseres hierover in de zienswijze heeft aangevoerd, heeft de minister volgens haar in het besluit van 31 juli 2025 bovendien onvoldoende deugdelijk gereageerd.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat het eiseres vanwege de bevriezingsmaatregel van de minister voor derdelanders uit Oekraïense was toegestaan om tot en met 4 september 2025 in Nederland te blijven, betekent niet dat sprake was van rechtmatig verblijf of een andere vorm van toestemming tot verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn waardoor haar op 31 juli 2025 geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd.
In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Dat eiseres daarna nog gebruik heeft gemaakt van de rechten van de Richtlijn komt omdat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren als gevolg van de gestelde prejudiciële vragen. Deze bevriezing houdt niet in dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar enkel dat eiseres nog feitelijk mag gebruikmaken van de rechten die zij vanwege de tijdelijke bescherming had. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 oktober 2025 bevestigd dat de bevriezingsmaatregel niet maakt dat de minister geen terugkeerbesluit kon nemen. [11] In punt 5.4 van het Terugkeerhandboek [12] vond de Afdeling geen steun voor het daar gevoerde betoog dat vanwege de bevriezingsmaatregel sprake is van een ‘verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot verblijf’, als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Dat steun voor dat betoog wel zou zijn gelegen in punt 5.6 van het Terugkeerhandboek, volgt de rechtbank niet. Van een dergelijke situatie, namelijk dat aan een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land een verblijfsvergunning of verblijfsrecht is verleend, is geen sprake. In het argument van eiseres dat wel sprake móet zijn geweest van rechtmatig verblijf omdat derdelanders uit Oekraïne na de bevriezingsmaatregel mochten blijven werken en opvang behielden, ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van het oordeel van de Afdeling dat de bevriezingsmaatregel niet maakt dat de minister geen terugkeerbesluit kon nemen.
Is het terugkeerbesluit, met SIS-signalering, prematuur vanwege de nog lopende beroepsprocedure en in strijd met arrest Gnandi?
7. Eiseres betoogt verder dat het terugkeerbesluit van 31 juli 2025, en de daarmee samenhangende signalering in het Schengen Informatie Systeem (SIS), prematuur en ten onrechte is opgelegd omdat zij op het moment dat dit terugkeerbesluit werd uitgevaardigd op grond van de nog lopende beroepsprocedure en toegewezen voorlopige voorziening, rechtmatig verblijf had. Een beroep tegen een terugkeerbesluit heeft van rechtswege schorsende werking. [13] Verder is de SIS-signalering volgens eiseres een tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit en is dit strijdig met het in het arrest Gnandi [14] geformuleerde uitgangspunt dat het niet bezwarend mag zijn voor de betrokkene en deze daarvan geen negatieve gevolgen mag ondervinden. Volgens eiseres maakt een SIS-signalering het voor haar moeilijker om een verblijfsrecht elders in de EU te krijgen. Dat de signalering is opgeschort wegens de lopende beroepsprocedure maakt dat niet anders. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar standpunt ook naar de Afdelingsuitspraak van 19 november 2025 [15] over het arrest Gnandi. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat gedurende de rechtsmiddelentermijn en tot aan de rechterlijke beslissing als beroep is ingesteld, moet worden afgezien van de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit als dat mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor de vreemdeling. Hoewel de minister verplicht was om over te gaan tot een SIS-signalering, heeft de minister ten onrechte niet beoordeeld of de signalering in dit geval gepast, relevant en belangrijk genoeg was, aldus eiseres. [16]
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de minister terecht overweegt, staan de lopende beroepsprocedure en/of de toegewezen voorlopige voorziening, niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Eiseres heeft procedureel rechtmatig verblijf om de uitkomst van haar beroepsprocedure te kunnen afwachten. [17] Het terugkeerbesluit is tijdelijk opgeschort. Dit doet niet af aan de vaststelling van illegaal verblijf en dus de bevoegdheid van de minister om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. [18] Het procedureel rechtmatig verblijf maakt niet dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het verzoek om voorlopige voorziening is toegewezen, maakt ook niet dat de tijdelijke bescherming van eiseres is verlengd. Eiseres mocht alleen gedurende de duur van de getroffen voorlopige voorziening gebruikmaken van de rechten die zij onder de richtlijn had voor wat betreft werk, opvang en voorzieningen.
De minister wijst er verder terecht op dat artikel 3, eerste lid, van Verordening 2018/1860 dwingend voorschrijft dat hij een signalering in het SIS invoert wanneer hij een terugkeerbesluit uitvaardigt. [19] Dat betwist eiseres ook niet. Wat er ook zij van het betoog van eiseres dat de minister desondanks ten onrechte niet heeft beoordeeld of de gevolgen van een SIS-signalering voor haar niet onevenredig zijn, constateert de rechtbank dat eiseres geen omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit moet worden afgeleid dát de SIS-signalering, die volgens de minister direct is opgeschort, in haar geval onevenredige gevolgen heeft (gehad). Daarvoor is de omstandigheid dat dit naar de stelling van eiseres een belemmering vormt om in een andere lidstaat een verblijfsrecht te krijgen, zonder dat zij concreet heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk naar een andere lidstaat wilde afreizen en van plan was zich daar te vestigen, onvoldoende. Dat eiseres op een andere wijze door de SIS-registratie zou zijn benadeeld, heeft zij niet onderbouwd. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025 gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op omdat die uitspraak ziet op een andere situatie. In die uitspraak legt de Afdeling uit dat zij uit het arrest Gnandi afleidt dat de minister hangende beroep voorbereidende handelingen mag verrichten die zijn gericht op de terugkeer van een vreemdeling, maar dat de minister daarbij wel moet waarborgen dat deze handelingen niet in strijd zijn met het beginsel van non-refoulement. Ook moet het rechtsmiddel tegen de afwijzing van de asielaanvraag ten volle doeltreffend zijn. De Afdeling oordeelt dan dat het de minister niet is toegestaan om een vreemdeling in persoon te presenteren bij een consulaire vertegenwoordiging voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep omdat de gevolgen daarvan niet geheel voorzienbaar en verstrekkend kunnen zijn en die gevolgen onomkeerbaar zijn of zich moeilijk laten herstellen, terwijl hangende beroep nog niet vaststaat dat de vreemdeling daadwerkelijk moet vertrekken. Dat deze redenering ook opgaat voor een signalering in het SIS, waarvan eiseres (enkel) stelt dat deze het haar moeilijker maakt om in een andere lidstaat rechtmatig verblijf te krijgen, volgt de rechtbank niet. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat de SIS-registratie verdwijnt nadat eiseres aan haar terugkeerverplichting heeft voldaan.
Is het terugkeerbesluit in strijd met het beginsel van non-refoulement?
8. Eiseres voert in beroep, onder verwijzing naar het arrest Ararat [20] , aan dat de rechter moet beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen het opleggen van een terugkeerbesluit. [21] Volgens eiseres is sprake van concrete aanwijzingen dat het beginsel van non-refoulement in haar geval mogelijk wordt geschonden bij uitvoering van het terugkeerbesluit. [22] Daartoe wijst eiseres erop dat zij is uitgehuwelijkt aan haar neef, met wie zij niet wil trouwen, en het weigeren van een gearrangeerd huwelijk kan leiden tot eerwraak. [23] Verder heeft eiseres zich ontworsteld aan haar familie in Pakistan door tegen de wil van haar familie in Oekraïne te gaan studeren. Eiseres overlegt in dit verband in beroep een verklaring waarin zij beschrijft wat haar en haar zusje is overkomen alsook een aangifte van mishandeling van haar zusje in Italië. Ter onderbouwing van haar betoog over de slechte positie van vrouwen in Pakistan verwijst eiseres naar het algemeen ambtsbericht over Pakistan van de minister van Buitenlandse Zaken van juli 2024 (algemeen ambtsbericht) en het European Union Agency for Asylum ‘COI Report -Pakistan: Country Focus’ van 17 december 2024 (EUAA-rapport). Een binnenlands beschermingsalternatief of bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties voor vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging, is niet voorhanden. [24] Volgens eiseres had de minister diepgaander moeten onderzoeken of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de oplegging van een terugkeerbesluit omdat alleen haar nationaliteit en geslacht daartoe al aanleiding gaven. [25]
8.1.
In het arrest Ararat heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure met het beginsel van non-refoulement rekening te houden. De Afdeling leidt uit het arrest Ararat af dat de minister een onderzoeksplicht heeft en op basis van wat een vreemdeling aanvoert, gegevens uit het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling maken. Dat betekent dat hij zich ervan moet vergewissen dat de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het EU Handvest. Als de minister een refoulementbeoordeling heeft gemaakt, toetst de rechtbank deze indringend. In dat geval hoeft de rechtbank niet afzonderlijk een eigen geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken. Het is niet nodig dat een schending van het beginsel van non-refoulement zonder meer aannemelijk is. Er moet sprake zijn van zwaarwegende en op feiten berustende gronden dat door uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement wordt geschonden. [26]
8.2.
De rechtbank stelt vast dat de asielaanvraag van eiseres op 15 augustus 2023 buiten behandeling is gesteld en zij daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Een nieuw verzoek om internationale bescherming heeft eiseres niet ingediend. In het voornemen van 4 juni 2025 wijst de minister er, onder verwijzing naar het arrest Ararat, op dat hij een geactualiseerde beoordeling verricht van de risico’s die eiseres bij terugkeer naar haar land van herkomst zou kunnen lopen. De minister zag op dat moment geen aanleiding voor de conclusie dat eiseres bij terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Eiseres is expliciet in de gelegenheid gesteld om via de zienswijze aan te voeren dat en waarom zij daar anders over denkt. Dat heeft eiseres in de zienswijze niet gedaan. De minister overweegt in het besluit van 31 juli 2025 dan dat eiseres niet heeft betwist dat geen sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat zij bij terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico loopt op ernstige schade.
8.2.1.
Naar aanleiding van het betoog van eiseres in beroep, heeft de minister in het verweerschrift alsnog beoordeeld of sprake is van concrete aanwijzingen dat de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit een refoulementrisico oplevert. Dat is volgens de minister om de volgende redenen – die samengevat worden weergegeven – niet het geval. De veiligheidssituatie in Pakistan is niet zodanig dat eenieder die daarnaartoe terugkeert op voorhand een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Vrouwen zijn niet aangemerkt als risicoprofiel en niet is gebleken dat eiseres alleen op basis van het zijn van vrouw al een zo’n risico loopt. Eiseres heeft niet aan de hand van haar individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Pakistan wel een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Daartoe overweegt de minister dat eiseres de angst voor haar familie niet heeft onderbouwd met feitelijke informatie, maar dit alleen baseert op eigen stellingen, en constateert hij dat eiseres kennelijk beschikte over de juiste kwalificaties om in Oekraïne te kunnen studeren, en dus in Pakistan een goede opleiding heeft kunnen volgen. Voor zover van de echtheid en inhoudelijke juistheid van de aangifte van haar zusje van huiselijk geweld in Italië moet worden uitgegaan en de familierechtelijke relatie tussen hen wordt aangenomen, is dit geen onderbouwing van de verklaringen van eiseres over haar eigen problemen en volgt hieruit niet dat eiseres persoonlijk een risico loopt bij terugkeer naar Pakistan. Verder heeft eiseres met de enkele verwijzing naar het algemeen ambtsbericht en het EUAA-rapport niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt om in Pakistan te worden onderworpen aan een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling omdat daaruit niet een individueel risico op refoulement blijkt. Daarbij merkt de minister nog op dat eiseres in Pakistan kennelijk een opleiding heeft kunnen volgen. De minister acht verder nog relevant dat eiseres in Oekraïne verbleef voor haar studie en zij daar niet om bescherming heeft gevraagd en zij ook in Nederland niet de asielprocedure heeft doorlopen. Als eiseres dat wenst, kan zij een nieuwe asielaanvraag indienen, aldus de minister.
8.3.
Het betoog van eiseres slaagt niet. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat de besluitvorming op dit punt geen motiveringsgebrek bevat. De minister heeft zowel in het voornemen van 4 juni 2025 als in het besluit van 31 juli 2025 kenbaar aandacht gehad voor de (actuele) risico’s die eiseres bij terugkeer naar Pakistan zou kunnen lopen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de minister uit eigen beweging gelet op de bij de minister bekende omstandigheden als geslacht en nationaliteit een nadere of diepgaandere beoordeling had moeten maken dan hij heeft gedaan. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat eiseres niet in reactie op het voornemen heeft aangegeven dat zij het niet eens is met de overweging in het voornemen dat voor de conclusie dat eiseres bij terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling, geen aanleiding bestaat. In dit verband acht de rechtbank ook relevant dat eiseres niet heeft gereageerd op de brief die haar eind mei 2023 is gestuurd met de vraag of zij een asielprocedure wil doorlopen en, als zij dat wil, het verzoek om de daarin geformuleerde vragen te beantwoorden. [27] Op dit voornemen heeft eiseres geen zienswijze ingediend.
Verder stelt de minister zich in het verweerschrift in reactie op wat eiseres hierover in beroep alsnog aanvoert terecht en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat de algemene situatie in Pakistan, zoals die volgt uit het landenbeleid, en dat wat eiseres op individueel niveau aanvoert, geen aanleiding geeft voor de conclusie dat zich zwaarwegende en op feiten berustende gronden voordoen om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Hoewel de algemene situatie voor vrouwen in Pakistan zeker te wensen overlaat, wijst de minister er terecht op dat van een risicoprofiel in de zin van paragraaf C2/2.4 van de Vc 2000 geen sprake is. Verder neemt de minister terecht in aanmerking dat eiseres zich voor wat betreft de vrees voor problemen van de zijde van haar familie baseert op niet onderbouwde stellingen. Daarbij wijst de minister er bovendien terecht op dat eiseres niet een zodanig achtergestelde positie had in Pakistan dat zij geen opleiding heeft kunnen volgen. Voor wat betreft het verhaal over haar zusje in Italië, heeft eiseres, zo merkt de minister ook terecht op, niet uitgelegd waarom dat relevant is voor de risico’s die zij stelt zelf te lopen bij terugkeer naar Pakistan. Er zijn daarmee geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat de minister door uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement schendt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2024. Het beroep is ongegrond voor zover gericht tegen het besluit van 31 juli 2025.
9.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 bestaande uit een punt voor het beroep tegen het ingetrokken besluit van 21 februari 2024, met een waarde per punt van
€ 934 en wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het besluit van 21 februari 2024;
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen het besluit van 31 juli 2025;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
5.ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
7.TK 2024-2025, 19637, nr. 3434.
9.Zie bv. ook Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 13 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20063.
10.Eiseres verwijst naar HvJEU 25 november 2022, ECLI:EU:C:2022:810 (U.P.). Ook verwijst eiseres naar de noot bij de uitspraak van Rb. Den Haag (zp. Roermond) 15 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17078.
12.Aanbeveling (EU) 2017/2338.
13.Eiseres verwijst naar HvJEU 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465 (Gnandi), overwegingen 55 en 58.
14.Eiseres verwijst naar HvJEU 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465 (Gnandi), overweging 66.
16.Eiseres verwijst naar overweging 9 en artikel 19 van Pro Verordening 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, waaruit volgt dat (artikel 21, eerste lid van) Verordening 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en tot wijziging en intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006 van overeenkomstige toepassing is. Ook verwijst eiseres naar ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3254.
17.Op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000.
18.Zie het arrest Gnandi, overweging 44 e.v. en ABRvS van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, overwegingen 8 en 9.
19.Zie ook ECLI:NL:RVS:2025:1075 overweging 6 e.v.
20.HvJEU 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
21.Eiseres verwijst ook naar artikel 5, gelezen in combinatie met artikel 13, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.
22.Eiseres verwijst naar ABRvS 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178, overweging 13.7.
23.Eiseres verwijst naar het algemeen ambtsbericht over Pakistan van het ministerie van Buitenlandse Zaken van juli 2024, pagina 73 en 74.
24.Eiseres verwijst naar paragraaf C7/27.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
25.Eiseres verwijst naar ABRvS 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178, overweging 13.3.
27.Dit volgt uit het voornemen van 12 juli 2023 om de asielaanvraag buiten behandeling te stellen.