ECLI:NL:RBDHA:2025:20063
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming en oplegging terugkeerbesluiten aan derdelander uit Oekraïne
Eiser, een derdelander uit Marokko die in Oekraïne tijdelijke bescherming genoot, kreeg facultatieve tijdelijke bescherming in Nederland op grond van de EU-Richtlijn 2001/55/EG. De minister beëindigde deze bescherming per 4 maart 2024 en legde terugkeerbesluiten op, waartegen eiser beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de tijdelijke bescherming heeft beëindigd en het terugkeerbesluit heeft opgelegd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning anders mogen worden behandeld dan andere ontheemden uit Oekraïne. Het vertrouwensbeginsel wordt verworpen omdat geen toezeggingen zijn gedaan die een andere verwachting rechtvaardigen.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie, waaronder het arrest Kaduna, en bevestigt dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is vervangen door dat van 4 juli 2025. Het beroep tegen de besluiten van 30 augustus 2023 en 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk, het beroep tegen het besluit van 4 juli 2025 ongegrond.
De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser. Hiermee komt een einde aan het geschil over de beëindiging van de tijdelijke bescherming en de terugkeer van eiser uit Nederland.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming en terugkeerbesluiten is niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard en de minister veroordeeld in proceskosten.