ECLI:NL:RBDHA:2026:12970
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verblijfsvergunning na vrijwillig vertrek met IOM en afwijzing schadevergoeding
Eiseres diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel privéleven op grond van artikel 8 EVRM Pro. De minister wees deze aanvraag af, waarna eiseres beroep instelde. Tijdens de procedure vertrok eiseres vrijwillig naar Armenië met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).
De rechtbank oordeelt dat eiseres door haar vrijwillige vertrek geen procesbelang meer heeft bij de inhoudelijke behandeling van het beroep tegen het afwijzingsbesluit. Bovendien is het inreisverbod dat aan haar was opgelegd later door de minister opgeheven, waardoor ook op dat punt geen belang meer bestaat. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Eiseres verzocht tevens om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn nog niet is overschreden, omdat de totale procedureduur sinds het bezwaar minder dan vier jaar bedraagt, wat als redelijke termijn wordt beschouwd. Het eerdere vonnis waarbij een schadevergoeding werd toegekend betrof een eerdere fase van de procedure. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
De rechtbank handhaaft het bestreden besluit en wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.