Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12970

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
AWB 25-14396
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMAwb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op verblijfsvergunning na vrijwillig vertrek met IOM en afwijzing schadevergoeding

Eiseres diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel privéleven op grond van artikel 8 EVRM Pro. De minister wees deze aanvraag af, waarna eiseres beroep instelde. Tijdens de procedure vertrok eiseres vrijwillig naar Armenië met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).

De rechtbank oordeelt dat eiseres door haar vrijwillige vertrek geen procesbelang meer heeft bij de inhoudelijke behandeling van het beroep tegen het afwijzingsbesluit. Bovendien is het inreisverbod dat aan haar was opgelegd later door de minister opgeheven, waardoor ook op dat punt geen belang meer bestaat. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

Eiseres verzocht tevens om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn nog niet is overschreden, omdat de totale procedureduur sinds het bezwaar minder dan vier jaar bedraagt, wat als redelijke termijn wordt beschouwd. Het eerdere vonnis waarbij een schadevergoeding werd toegekend betrof een eerdere fase van de procedure. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

De rechtbank handhaaft het bestreden besluit en wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/14396

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] ,
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [2] ’. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep, omdat zij met behulp van de IOM [3] vrijwillig is vertrokken. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 28 maart 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 10 augustus 2022 afgewezen. Met het besluit van 11 september 2024 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 december 2024 is het tegen dit besluit ingediende beroep gegrond verklaard, heeft de rechtbank het besluit van 11 september 2024 vernietigd en heeft zij de minister opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen. [4] In die uitspraak heeft de rechtbank de minister veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij uitspraak van 12 februari 2025 heeft de Afdeling [5] het door de minister ingediende hoger beroep ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. [6]
2.1.
Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 juli 2025 is het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar gegrond verklaard en is de minister opgedragen binnen twee weken een besluit op bezwaar kenbaar te maken. [7]
3. Met het bestreden besluit van 16 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en is aan haar een inreisverbod opgelegd van twee jaar.
3.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft zowel de gemachtigde van eiseres als de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid van het beroep
4. Eiseres heeft hangende beroep op 9 december 2025 een vertrekverklaring ondertekend en zij is met behulp van de IOM op 9 december 2025 vrijwillig vanuit Nederland teruggekeerd naar Armenië.
4.1.
Uit de hiervoor genoemde vertrekverklaring, die door de minister is overgelegd, blijkt dat eiseres met de ondertekening ermee instemt dat de procedure strekkende tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning wordt beëindigd. Gelet hierop heeft eiseres geen belang bij een beoordeling van haar beroep tegen het bestreden besluit van 16 juli 2025. [8] Hoewel uit de vertrekverklaring volgt dat de intrekking van nog openstaande procedures niet geldt voor een terugkeerbesluit en inreisverbod, kan het procesbelang evenmin gevonden worden in het inreisverbod dat bij het bestreden besluit aan eiseres is opgelegd, omdat de minister dit inreisverbod bij besluit van 19 februari 2026 heeft opgeheven.
4.2.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Het bestreden blijft in stand.
overschrijding redelijke termijn
5. Ter zitting is namens eiseres verzocht om een schadevergoeding, omdat volgens haar de redelijke termijn voor het nemen van een besluit op haar aanvraag 28 maart 2022 is overschreden. Namens eiseres is gewezen op het feit dat bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 december 2024 al is geoordeeld dat de redelijke termijn op dat moment was overschreden. Om die reden is aan haar een schadevergoeding van € 500,- toegekend. [9]
6. De rechtbank wijst het verzoek af en legt hieronder uit waarom.
6.1.
Volgens vaste rechtspraak vangt de redelijke termijn aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. [10] De minister heeft het bezwaarschrift op 16 augustus 2022 ontvangen. Het bezwaar is met het besluit van 11 september 2024 ongegrond verklaard. Het beroep hiertegen is met de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 december 2024 gegrond verklaard, het besluit van 11 september 2024 is vernietigd en de rechtbank heeft bepaald dat de minister een nieuw besluit moet nemen. Bij uitspraak van 12 februari 2025 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister heeft op 16 juli 2025 opnieuw een besluit genomen en eiseres heeft op diezelfde dag beroep ingesteld tegen dat besluit.
6.2.
In een geval als dit, waarin vernietiging door de rechter van een besluit leidt tot herhaalde besluitvorming door de minister op de oorspronkelijke aanvraag, moet de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. [11] Als uitgangspunt geldt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. [12]
6.3.
Omdat sinds de indiening van het bezwaar op 16 augustus 2022 nog geen vier jaren zijn verstreken, is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek om schadevergoeding wordt om die reden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het bestreden bestand in stand blijft. Ook wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op 21 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Internationale Organisatie voor Migratie.
4.AWB 24/14228, ECLI:NL:RBDHA:2024:21579.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.AWB 25/12431.
8.Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 6 december 2018; ECLI:NL:RVS:2018:4014.
9.AWB 24/14228.
10.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2015:1672.
12.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2024:2276.