Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Overwegingen
(zie AIDA-RO_2024-Update.pdf)waarin de procedure voor opvolgende asielaanvragen wordt uitgelegd. Eiser stelt hierover dat er in zijn geval sprake zal zijn van korte termijnen met een schriftelijke beoordeling zonder interview, adequate rechtshulp ontbreekt, er geen tolk beschikbaar is, zijn eerdere asielprocedure niet goed is verlopen en dat hij eerder een instructie heeft gekregen het land te verlaten. Verweerder moet nader onderzoek doen alvorens tot overdracht wordt overgegaan.
(zie AIDA RO_2019update). Het door eiser aangehaalde AIDA-rapport (2024 Update) van augustus 2025 heeft de Afdeling weliswaar niet in de beoordeling betrokken. In dat kader heeft verweerder ter zitting verwezen naar een uitspraak van zittingsplaats Utrecht van 29 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1555, waarin het meest recente AIDA-rapport (Update 2024) wel is meegewogen en is geoordeeld dat nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Roemenië. Gelet op deze uitspraak, in samenhang met eisers verklaringen en de genoemde passages uit het AIDA-rapport, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er aanknopingspunten zijn dat de asielprocedure in Roemenië fundamentele systeemfouten bevat waardoor niet meer van dit interstatelijk vertrouwen kan worden uitgegaan.
(zie WI 2021/3 BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K. - Immigratie- en Naturalisatiedienst)waaruit blijkt dat tijdens een Dublinprocedure een BMA-advies kan worden opgevraagd als uit objectieve medische gegevens blijkt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Verweerder stelt zich naar oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat dit niet blijkt uit de medische stukken en ziet geen aanleiding voor een BMA-onderzoek. Dit oordeel verandert niet door de vergelijking die eiser maakt met de zaak van de zittingsplaats Arnhem van 6 maart 2026. De situaties verschillen namelijk op wezenlijke punten. Met name de ernst van de psychische klachten die samenhangen met de overdracht, zoals vastgesteld in het medisch rapport, wijkt af. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc.