Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15738

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/1777
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)Art. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV op herbeoordelingsverzoek WIA-uitkering

Zeeman textielSupers B.V. heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit van het UWV op een herbeoordelingsverzoek van een (ex-)werknemer met betrekking tot een WIA-uitkering. De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden, ondanks ingebrekestelling op 6 november 2025 en het verstrijken van meer dan twee weken daarna zonder besluit.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is en draagt het UWV op om binnen negen weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Deze termijn is gebaseerd op een medische beoordelingstermijn van zes weken en een besluitvormingstermijn van drie weken, conform eerdere uitspraken over structurele tekorten aan verzekeringsartsen bij het UWV.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van € 140,10 aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en betreft ook samenhangende zaken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen binnen negen weken alsnog te beslissen, met oplegging van een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1777

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

Zeeman textielSupers B.V., uit Alphen aan den Rijn, eiseres

(gemachtigde: mr. L. Blahowetz),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. D. Brandt-van Es).

Inleiding

1. [(ex-)werknemer], (ex-)werknemer van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres heeft verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werknemer op deze WIA-uitkering.
1.1.
Eiseres heeft op 26 februari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op het herbeoordelingsverzoek.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep is ontvankelijk en gegrond
2. Als een bestuursorgaan, zoals hier het Uwv, niet op tijd beslist op een aanvraag, een verzoek om herbeoordeling of een bezwaarschrift, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de belanghebbende schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen. [1]
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 6 november 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 11 november 2025 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.

De nadere beslistermijn

4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.
5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
5.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen negen weken na deze uitspraak een besluit bekend te maken.
5.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden als gevolg van het toenemende aantal WIA-uitkering aanvragen en onvoldoende verzekeringsgeneeskundige capaciteit om alle (her)beoordelingen en bezwaarzaken tijdig uit te voeren.
6. Bij het Uwv is al geruime tijd sprake van tekorten aan verzekeringsartsen, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. In haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft deze rechtbank daarom bepaald dat in dit soort zaken, waarin het gaat om het uitblijven van een besluit waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. [2] De rechtbank heeft in die uitspraken bepaald dat in dergelijke beroepen het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts, of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een besluit te nemen. In totaal heeft het Uwv dan dus een termijn van negen weken na de datum waarop de uitspraak wordt verzonden om een besluit bekend te maken.
6.1.
Indien het Uwv ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de medische beoordeling al heeft gepland op een bepaalde datum of deze al is uitgevoerd, wordt daarmee rekening gehouden. Het Uwv krijgt dan in ieder geval de wettelijke termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om dit aan te voeren. [3]
De nadere beslistermijn in deze zaak
7. Uit het verweerschrift blijkt dat het Uwv per 1 januari 2026 een nieuwe prioritering hanteert, waarbij geen voorrang meer wordt gegeven aan dossiers waarin rechtstreeks beroep is ingesteld wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank heeft in haar uitspraken van 13 mei 2026 geoordeeld dat deze gewijzigde prioritering niet leidt tot een verandering in de beslistermijnen. [4]
8. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Rechterlijke dwangsom
9. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. [5] Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
10.1.
De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de kosten in verband met de behandeling van het beroep conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) gedeeltelijk in aanmerking komen voor vergoeding. Omdat deze zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, verzoekt het Uwv slechts een proceskostenvergoeding met wegingsfactor 0,25 toe te kennen. Gelet op de vaste rechtspraak, [6] waaruit volgt dat bij een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit een wegingsfactor van 0,5 moet worden toegepast, ziet de rechtbank geen aanleiding om de door het Uwv gevraagde lagere wegingsfactor toe te passen.
10.2.
De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank doet vandaag uitspraak in dit beroep en de beroepen met zaaknummers SGR 26/616, SGR 26/798, SGR 26/1131 en SGR 26/1147. De rechtbank beschouwt deze beroepen als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn door de bestuursrechter namelijk gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Omdat sprake is van meer dan drie samenhangende zaken geldt bij de berekening van de proceskosten een factor 1,5. [7] De rechtbank is daarnaast van oordeel dat dit beroep van licht gewicht is, omdat het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is. [8] De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dus vast op € 700,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht) en een factor 1,5 voor het aantal samenhangende zaken). In verband met de samenhang wordt aan elke zaak een vijfde deel toegekend. Daarmee bedraagt de kostenvergoeding in de onderhavige zaak € 140,10 (1/5 x € 700,50).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het herbeoordelingsverzoek bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 140,10 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 6:12 van Pro de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb).
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.2. De rechtbank verwijst ook naar haar overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, onder 4.4 en 4.5.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.3 en 5.4.
4.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11558, ECLI:NL:RBDHA:2026:11559, ECLI:NL:RBDHA:2026:11560 en ECLI:NL:RBDHA:2026:11561.
5.https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
6.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1374, onder 4.3, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796, onder 3.
7.Zie de bijlage van het Bpb, onderdeel C2.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288.