ECLI:NL:RBDHA:2026:19051

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL26.17220
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na vertrek met onbekende bestemming

Eiser diende op 13 december 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 23 maart 2026 af als kennelijk ongegrond en legde tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar op.

Eiser stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag. Tijdens de procedure meldde de minister op 15 juni 2026 dat eiser op 27 mei 2026 met onbekende bestemming was vertrokken, omdat hij zelfstandig zijn woonruimte had verlaten. De gemachtigde van eiser gaf op 21 juni 2026 aan geen contact meer met eiser te hebben.

De rechtbank overwoog dat een vreemdeling die met onbekende bestemming vertrekt, maar wel contact onderhoudt met zijn gemachtigde, in beginsel belang heeft bij het beroep. Dit belang ontbreekt echter als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Nu de gemachtigde geen contact meer had en er geen aanwijzingen waren voor het tegendeel, concludeerde de rechtbank dat het procesbelang ontbrak.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en deed geen inhoudelijke beoordeling. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter E.E.M. van Abbe op 24 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na vertrek met onbekende bestemming en geen contact met gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17220

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Heida),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. I. van der Vegt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser heeft op 13 december 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 23 maart 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.
1.1.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. [2]
1.2.
De rechtbank heeft bepaald dat de op 23 juni 2026 geplande zitting achterwege blijft. Partijen hebben hiermee ingestemd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 22 juni 2026.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser een actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. Daartoe overweegt zij als volgt.
3. De minister heeft de rechtbank op 15 juni 2026 bericht dat eiser op 27 mei 2026 met onbekende bestemming (MOB) vertrokken is gemeld, omdat eiser zelfstandig zijn woonruimte heeft verlaten. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens op 21 juni 2026 bericht dat zij sindsdien geen contact heeft met eiser.
4. Uit vaste rechtspraak [3] blijkt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, maar wel contact onderhoudt met zijn gemachtigde, hij in beginsel geacht moet worden belang te hebben bij het door hem ingestelde rechtsmiddel. Dit is alleen anders als er voldoende concrete aanknopingspunten zijn dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Een vreemdeling heeft dus belang bij het beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de melding vrijwillig/zelfstandig vertrek blijkt dat deze nog contact onderhoudt met de vreemdeling over de procedure. De Afdeling heeft tevens geoordeeld dat het niet aan de vreemdeling of de gemachtigde is om uit eigen beweging informatie te verstrekken over de aard of de frequentie van hun contact, maar dat de rechtbank dus eerst bij de gemachtigde navraag moet doen naar de relevante feiten en omstandigheden alvorens te concluderen of het procesbelang ontbreekt.
5. Uit het voorgaande volgt dat een vreemdeling belang heeft bij zijn beroep of hoger beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat er nog contact wordt onderhouden met de vreemdeling over de procedure. In dit geval heeft de gemachtigde aan de rechtbank laten weten dat zij geen contact meer met eiser heeft. Op basis van de informatie van de minister en de gemachtigde van eiser, neemt de rechtbank dan ook aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland en dat het procesbelang ontbreekt. Er zijn geen concrete aanknopingspunten om anders te oordelen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Zaaknummer NL26.17221
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRVS) van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, rechtsoverweging 2.7 en 2.8. Herhaald in de uitspraken van 31 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3068 en 3073), 8 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3237), 26 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3451), 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4049), 28 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4333) en 20 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2762).