ECLI:NL:RBDHA:2026:20270

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.18843
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 8 EVRMArt. 17 DublinverordeningArt. 18 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening Kroatië

Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 4 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening, aangezien eiser via Kroatië illegaal het grondgebied betrad en daar een asielverzoek indiende.

Eiser voerde aan dat het voornemen van verweerder een standaardvoorstel was zonder voldoende individuele beoordeling, en dat hij in Kroatië mishandeld was, waardoor overdracht aan Kroatië onaanvaardbaar zou zijn. Ook stelde hij dat zijn gezinsleven in Nederland, met een verloofde, onvoldoende werd meegewogen.

De rechtbank oordeelde dat het besluit zorgvuldig was voorbereid en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt ten aanzien van Kroatië. De door eiser gestelde mishandeling bij binnenkomst in Kroatië leidt niet tot een reëel risico op een onmenselijke behandeling bij overdracht als Dublinclaimant. Ook is de gezinsband niet relevant voor de Dublinprocedure, omdat deze relatie niet bestond in het land van herkomst en de terugnameprocedure niet voorziet in gezinshereniging.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van verweerder. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18843

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.18844), op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. Eiser heeft op 4 december 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.1.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 7 november 2025 het Dublin grondgebied illegaal is binnengekomen via Kroatië en dat hij daar op dezelfde dag een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Op 19 januari 2026 heeft Nederland aan Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Kroatië heeft dit terugnameverzoek op 28 januari 2026 op die grondslag aanvaard.
Totstandkoming van het besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het Europees verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de asielaanvraag aan zich moet trekken. Verweerder heeft in het voornemen volstaan met een standaard voornemen zonder de specifieke situatie van eiser te betrekken. In het bestreden besluit zijn de door hem naar voren gebrachte omstandigheden – onder meer de mishandeling en onmenselijke behandeling die hij in Kroatië heeft meegemaakt – en daarmee zijn bezwaren tegen overdracht aan Kroatië onvoldoende meegenomen. Als deze wel zouden zijn meegenomen zou verweerder tot de conclusie komen dat hij de asielaanvraag aan zich moet trekken. Daarnaast stelt eiser dat hij in Nederland een leven heeft opgebouwd, hij heeft een verloofde. Verweerder heeft niet toegelicht waarom deze verloofde, zijnde een nareiziger, de situatie niet anders zou maken. Eiser meent dat zijn gezinsleven gerespecteerd moet worden en stelt dat de toetsing aan artikel 8 EVRM Pro onvoldoende zorgvuldig is geweest.
Volstaan met een standaard voornemen
4. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid doordat verweerder in het voornemen gebruik heeft gemaakt van ‘standaardoverwegingen’. Verweerder heeft in het voornemen alle dragende standpunten voor de vaststelling van Kroatië als de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van eisers asielaanvraag opgenomen en heeft daarbij betrokken wat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard (zie pagina 3 van het voornemen). Dat een en ander in het voornemen wat meer algemeen en standaardmatig en niet heel expliciet is opgeschreven, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het besluitvormingsproces onzorgvuldig is geweest. Op grond van wat er in het voornemen staat, moet het voor eiser – die bekend is met zijn eigen verklaringen tijdens het Dublingehoor – voldoende duidelijk zijn geworden dat en waarom verweerder voornemens was zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Verweerder heeft bovendien in het uiteindelijk besluit een en ander meer geconcretiseerd. De rechtbank wijst in dit verband op de richtinggevende uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348 (r.o. 2.1), waarnaar de Afdeling nadien herhaaldelijk heeft verwezen, laatstelijk in de uitspraak van 5 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3158.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft in onder meer de uitspraken van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, bevestigd op onder meer 24 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1869 en 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit betekent dat ervan uit mag worden gegaan dat Kroatië bij de behandeling van asielzoekers zijn internationale verplichtingen zal nakomen.
5.1.
Eiser heeft met de door hem gestelde ervaringen in Kroatië niet aannemelijk gemaakt dat in Kroatië sprake is van zodanig ernstige tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij door de Kroatische autoriteiten is vernederd en geslagen (zie pagina 4). Dat hij bij zijn illegale binnenkomst in Kroatië door de Kroatische autoriteiten slecht werd behandeld, betekent nog niet dat hij ook als Dublinclaimant bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met voormelde bepalingen. De verklaringen van eiser gaan over de wijze waarop hij bij eerste aankomst in Kroatië is behandeld en niet over de situatie dat eiser als Dublinclaimant aan Kroatië zal worden overgedragen (zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en het arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64). Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren, nu hij niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Kroatië. Eiser heeft niet met landeninformatie onderbouwd dat Dublinclaimanten, die gereguleerd op het vliegveld worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten, na overdracht aan Kroatië een reëel risico lopen om in eenzelfde situatie terecht te komen als eiser eerder in Kroatië heeft meegemaakt. Daarbij komt dat Kroatië met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eiser vindt dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet aannemelijk gemaakt. Te meer nu eiser heeft verklaard dat hij niet eerder een klacht heeft ingediend bij de autoriteiten (zie aanmeldgehoor pagina 4 en 5). Er is niet gebleken dat de autoriteiten van Kroatië hem niet zouden kunnen of willen helpen.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
6.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4852, en 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5359, volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel - zoals de hierboven gestelde omstandigheden onder 5.1. - niet ook van betekenis kunnen zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. Deze gestelde omstandigheden kunnen dus op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser van een onevenredige hardheid getuigt. Voor zover eiser een beroep doet op artikel 8 van Pro het EVRM, oordeelt de rechtbank dat de Dublinverordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een gezinslid in Nederland kan worden verkregen. Dit volgt uit de Afdelingsuitspraak van 11 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:74). Niet in geschil is dat de door eiser gestelde relatie nog niet bestond in het land van herkomst. Daarom is geen sprake van een gezinslid in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening. Verder geldt dat het bijeenhouden en bijeenbrengen van gezinnen geschiedt op grond van de artikelen 8, 9, 10 11 van de Dublinverordening. Deze artikelen zijn opgenomen in hoofdstuk III van de Dublinverordening en dit hoofdstuk is niet van toepassing op de situatie van eiser. In de onderhavige zaak gaat het om een terugnameprocedure. De rechtbank verwijst ter onderbouwing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-582/17 en C-583/17 (ECLI:EU:C:2019:280) en de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3672). Hieruit volgt dat, indien er sprake is van een terugnameverzoek in het kader van de Dublinverordening, de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat in hoofdstuk III van de Dublinverordening in beginsel niet van toepassing zijn.
6.2.
Verweerder heeft dan ook in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.