ECLI:NL:RBDHA:2026:2461

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.51265 en NL25.51267
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 20 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 69 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroepen tegen niet-behandeling asielaanvragen wegens Dublinverordening

Eisers, twee broers met de Russische nationaliteit, vroegen op 7 juni 2025 asiel aan in Nederland. Uit Eurodac bleek dat zij op 26 mei 2025 al een verzoek om internationale bescherming in Kroatië hadden ingediend. Nederland verzocht Kroatië om hen terug te nemen op grond van de Dublinverordening, wat Kroatië accepteerde.

De minister van Asiel en Migratie nam de asielaanvragen van eisers niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk was. Eisers stelden dat Kroatië het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet verdient vanwege slechte behandeling van Tsjetsjenen, onderbouwd met diverse rapporten en bronnen. Zij voerden aan dat de minister zijn bevoegdheid onder artikel 17 Dublinverordening Pro had moeten gebruiken.

De rechtbank oordeelde dat de beroepen te laat waren ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, omdat de problemen met de voormalige advocaat voor rekening van eisers kwamen. De rechtbank vond geen Bahaddar-omstandigheden die niet-ontvankelijkheid konden voorkomen, omdat de aangevoerde feiten en bronnen onvoldoende onmiskenbaar bewijs boden dat overdracht aan Kroatië een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren.

De rechtbank verklaarde de beroepen niet-ontvankelijk en ging niet inhoudelijk op de zaak in. Eisers kregen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter E.C. Harting op 13 januari 2026.

Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.51265 en NL25.51267
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1], V-nummer: [V-nummer 1] , en
[eiser 2], V-nummer: [V-nummer 2] ,
eisers
(gemachtigde: mr. B. Manawi), en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra)

Procesverloop

Bij besluiten van 2 oktober 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd (asielaanvragen) niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eisers hebben op 20 oktober 2025 tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.
De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig, samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening (NL25.51266 en NL25.51268), op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de tolk E.G. Reimink en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1. Eisers hebben de Russische nationaliteit en zijn geboren op [geboortedatum 1] 2000 en [geboortedatum 2] 2002. Eisers zijn broers. Zij hebben op 7 juni 2025 asiel in Nederland aangevraagd.
1.1.
Uit Eurodac is gebleken dat eisers op 26 mei 2025 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Op 28 juli 2025 heeft Nederland aan Kroatië verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening)
.Kroatië heeft dit verzoek op 6 augustus 2025 aanvaard op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
De bestreden besluiten
2. Verweerder heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat ten aanzien van Kroatië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast ziet verweerder geen reden om de asielaanvraag van eisers wegens bijzondere individuele omstandigheden onverplicht aan zich te trekken. De asielaanvragen zijn niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
De beroepsgronden
3. Volgens eisers heeft verweerder hun asielaanvragen ten onrechte niet in behandeling genomen. Ze voeren daartoe aan dat ten aanzien van Kroatië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor personen van Tsjetsjeense afkomst. Ter onderbouwing verwijzen eisers naar een video en een aantal bronnen (een rapportage van het Kavkaz-Center van 24 april 2025, een videobericht van [persoon A] van 30 april 2025, 25 april 2025 en 24 juli 2023, een bericht van [persoon B] van 20 mei 2025, een bericht van European Pravda van 17 april 2023 en een rapportage van Amnesty International van 17 januari 2024 ‘“Europe: Halt returns of people from the North Caucasus to Russia where they are at risk of torture and abuse’). Uit deze bronnen volgt volgens eisers dat asielzoekers van Tsjetsjeense afkomst in Kroatië te maken krijgen met pushbacks, deportatie, stelselmatige aanhoudingen, mishandelingen en eenzame opsluitingen door de Kroatische politie. Ze hebben geen effectieve toegang tot rechtsbescherming en worden ongefundeerd verdacht van terrorisme en (religieus) extremisme. Terugkeer naar Rusland vormt onder deze omstandigheden een schending van het beginsel van non-refoulement. Ook verwijzen eisers naar het AIDA-rapport Update 2024 van augustus 2025, waaruit volgt dat in november 2022 een groot aantal Tsjetsjenen zonder duidelijke reden overgebracht werden naar het Detentiecentrum voor Vreemdelingen en daar met uitzetting werden bedreigd. Tsjetsjenen krijgen in Kroatië te maken met disproportionele vrijheidsontneming en een verhoogd risico op verwijdering. Op grond van verschillende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) is overdracht niet toegestaan wanneer er aanwijzingen zijn dat de opvang- of detentieomstandigheden structurele of individuele gerichte tekortkomingen vertoont. Eisers stellen daarnaast dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn bevoegdheid onder artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening.
Beoordeling van de beroepen
Zijn de beroepen ontvankelijk op grond van de nationale procedureregels?
4. De rechtbank moet eerst beoordelen of de beroepen ontvankelijk zijn, omdat ze – zo staat tussen partijen vast – te laat zijn ingesteld. Eisers hebben de termijn van één week voor het instellen van beroep (artikel 69, tweede lid, van de Vw) overschreden (artikel 6:9, eerste lid, van de Awb). Daarom moeten de beroepen in beginsel niet-ontvankelijk worden
verklaard. Dit is alleen anders als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest en de termijnoverschrijding dus verschoonbaar is (artikel 6:11 van Pro de Awb).
4.1.
Volgens eisers is sprake van zo’n verschoonbare termijnoverschrijding. Ondanks meerdere pogingen daartoe, ook via verschillende instanties, konden zij geen contact krijgen met hun voormalige advocaat. Zij hebben nooit iets van hem gehoord en hebben alleen de koppelingsbrief (waarin hun voormalige advocaat aan hen werd gekoppeld) gehad. Eisers hebben de voornemens niet ontvangen, zijn niet betrokken geweest bij de zienswijzen die hun voormalige advocaat namens hen heeft ingediend, en zijn pas op de hoogte gebracht van de bestreden besluiten tijdens hun gesprek met Dienst Terugkeer en Vertrek. Toen was de beroepstermijn al verstreken. Ze hebben echter meteen contact opgenomen met hun huidige advocaat, die alles in het werk heeft gesteld om alsnog zo snel mogelijk alsnog beroep in te stellen tegen de bestreden besluiten. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze omstandigheden onvoldoende zijn voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Het gaat namelijk om omstandigheden die liggen in het contact tussen eisers en hun gemachtigde, en die komen voor hun rekening. Daarnaast heeft de voormalige advocaat van eisers in een e-mail aan hun huidige advocaat laten weten dat het hem verbaasde dat eisers beroep wilden instellen, aangezien hij hen een brief had gestuurd en vervolgens niets van hen had vernomen.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Verweerder heeft op de zitting terecht verwezen naar vaste jurisprudentie waaruit volgt dat omstandigheden die liggen in het contact tussen eisers en de gemachtigde in beginsel niet verschoonbaar zijn en voor hun rekening komen. De rechtbank verwijst naar uitspraken van de Afdeling van 9 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5917 en 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1871 en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) van 20 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31. De grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft een aantal uitspraken gedaan waaruit volgt dat bestuursrechters in sommige gevallen meer rekening moeten houden met bijzondere omstandigheden die de indiener van het beroepschrift betreffen (30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33, ECLI:NL:CBB:2024:34). Ook uit die
uitspraken volgt echter dat als de indiener gedurende (een deel van) de overschreden bezwaar- of beroepstermijn werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener, het handelen van die professionele rechtsbijstandverlener in beginsel voor risico van de indiener komt.
4.3.
Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie van eisers, waarin zij grotendeels van andere mensen afhankelijk zijn voor hun informatie, ziet de rechtbank in hun omstandigheden geen aanleiding om het beroep toch ontvankelijk te verklaren. Eisers hadden gedurende de hele procedure een advocaat, wisten dit ook, en hadden zijn contactgegevens. Hoewel zij hebben verklaard dat zij (ook) zelf één of meerdere keren naar zijn kantoor gebeld hebben zonder gehoor, kunnen ze dit niet onderbouwen. Tijdens de zitting hebben eisers verklaard dat deze gegevens zijn gewist van hun telefoon. Zij hebben geen e-mails naar hun voormalig advocaat gestuurd (of laten sturen), terwijl dit naar het oordeel van de rechtbank wel voor de hand had gelegen. Ook anderszins hebben zij niet kunnen onderbouwen dat zij zonder resultaat hebben geprobeerd contact op te nemen met hun voormalig advocaat. Tijdens de zitting is hier uitgebreid naar gevraagd. De e-mail van Vluchtelingenwerk Nederland die is gestuurd op de dag dat eisers bekend werden met de
bestreden besluiten, legt in dit kader onvoldoende gewicht in de schaal. Deze is namelijk van na het verstrijken van de beroepstermijn. De rechtbank weegt ten slotte mee dat de voormalig advocaat van eisers direct verbaasd heeft gereageerd op de e-mail van hun nieuwe advocaat. Dit komt op de rechtbank niet over als een advocaat die niet bereikbaar of beschikbaar is.
4.4.
Daarom bestaat er naar het oordeel van de rechtbank in beginsel aanleiding om het beroep van eiser niet-ontvankelijk te verklaren met toepassing de nationale procedureregels (artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb in verbinding met de hiervoor vermelde bepalingen in het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken).
Moet van niet-ontvankelijkverklaring worden afgezien op grond van het Bahaddar-arrest?
5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden de noodzaak bestaan om ter voorkoming van schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een in het nationale recht neergelegde
procedureregel niet tegen te werpen (Bahaddar-omstandigheden)(vgl. EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494, Bahaddar tegen Nederland, en bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5298). Daarvoor is vereist dat wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij overdracht van die vreemdeling artikel 3 van Pro het EVRM zou schenden. De bestuursrechter moet beoordelen of zulke bijzondere feiten of omstandigheden zich voordoen. Dat vergt een zelfstandige toets van de bestuursrechter, die losstaat van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Deze beoordeling moet worden verricht in het licht van het standpunt van verweerder over wat de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd en wat algemeen bekend is over het land van waaraan de vreemdeling zal worden overgedragen.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat wat de eisers hebben heeft aangevoerd en overgelegd niet onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder artikel 3 van Pro het EVRM zou schenden bij overdracht aan Kroatië. Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 november 2025,
ECLI:NL:RVS:2025:5635, 20 augustus 2025,
ECLI:NL:RVS:2025:3901en 9 oktober 2024,
ECLI:NL:RVS:2024:4037, volgt dat verweerder ten aanzien van Kroatië van
het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Een groot aantal van de door eisers aangehaalde bronnen en het bericht van Amnesty International dateren van voor de uitspraken van de Afdeling. Uit de door eisers aangehaalde bronnen volgt niet dat alle Tsjetsjenen onrechtmatig van extremisme worden beschuldigd en uitgezet worden naar Rusland. Dat Tsjetsjenen in Kroatië gedwongen worden om vrijstelling van hun asielaanvragen te ondertekenen is niet onderbouwd. De bronnen bieden onvoldoende grond om aan te nemen dat sprake is van mishandelingen, disproportionele vrijheidsontneming, een verhoogde risico op verwijdering en eenzame opsluiting door de Kroatische politie en dat er geen effectieve rechtsbescherming is voor Tsjetsjenen in Kroatië, of in het geval van eisers als Dublinterugkeerders. Verder is niet gebleken dat Tsjetsjenen die op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening worden overgedragen aan Kroatië risico lopen op pushbacks. Uit het AIDA-rapport, update 2024 volgt wel dat pushbacks in 2024 nog steeds plaatsvonden, in beginsel zijn er alleen geen obstakels voor Dublinclaimanten om toegang tot de Kroatische asielprocedure te krijgen na overdracht.
5.2.
Ook aan wat eisers hebben aangevoerd over de omstandigheden in de opvangvoorzieningen en detentieomstandigheden in Kroatië kan niet de conclusie worden verbonden dat zij bij overdracht een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Eisers zijn op de dag van hun asielaanvraag in Kroatië doorgereisd en hebben dus geen ervaring met het detentiesysteem en het opvangsysteem voor asielzoekers in Kroatië. Ook blijkt uit de door eisers aangehaalde bronnen niet dat er aanwijzingen zijn dat de opvang- of detentieomstandigheden structurele of individuele gerichte tekortkomingen vertoont.
5.3.
Het rapport van Amnesty International gaat over de risico’s die vreemdelingen lopen als ze teruggestuurd worden naar Rusland. De rechtbank overweegt in dat kader, nog daargelaten dat de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, heeft geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, dat in het geval van eisers geen grond bestaat om aan te nemen dat een dergelijk risico zich voordoet. Eisers hebben de gestelde vrees voor indirect refoulement onvoldoende geconcretiseerd. Daarnaast volgt uit pagina 52 e.v. van het AIDA-rapport, update 2024 juist dat sprake is van een grote mate van rechtsbescherming. Ook heeft Kroatië met het expliciete claimakkoord gegarandeerd dat eisers asielaanvragen in behandeling worden genomen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen.
5.4.
Verweerder mag dus uitgaan van het vermoeden dat de Kroatische autoriteiten hun internationale verplichtingen nakomen en heeft dit voldoende zorgvuldig gemotiveerd.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het voorgaande, geen sprake van Bahaddar-omstandigheden die maken dat van niet-ontvankelijkverklaring moet worden afgezien.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaken dus niet inhoudelijk. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.