ECLI:NL:RBDHA:2026:5717

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL25.30907
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 IVRKBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf grootmoeder wegens onvoldoende belangenafweging

Eiseres, grootmoeder van minderjarige kleinkinderen met Syrische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland. Haar zoon, de referent, heeft een verblijfsvergunning asiel gekregen en vroeg nareis aan voor zijn gezin en moeder. De minister wees de aanvraag van eiseres af wegens het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen haar en de referent, en een belangenafweging die in het nadeel van eiseres uitviel.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen eiseres en haar zoon. Echter, de belangenafweging met betrekking tot het gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen is onvoldoende gemotiveerd. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met de ouderrol die eiseres vervulde, de jarenlange verzorging van de kleinkinderen onder moeilijke omstandigheden, en de emotionele banden.

De rechtbank stelt dat de belangenafweging niet in 'fair balance' is en dat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de ouderrol en de moeilijke leefomstandigheden zijn meegewogen. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom het belang van de kleinkinderen om bij hun grootmoeder te zijn, ondanks de afwezigheid van hun moeder, geen zwaarwegend belang is. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij deze aspecten adequaat worden betrokken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd wegens onvoldoende gemotiveerde belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30907

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] (referent), bijgestaan door mr. E. Verstelle (als waarnemer van de gemachtigde van eiseres). Als tolk is verschenen H. Rida. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1961. De meerderjarige zoon van eiseres, [referent] (referent), heeft een verblijfsvergunning asiel gekregen in Nederland en vervolgens nareis aangevraagd voor zijn echtgenote, zijn dertien kinderen en voor eiseres. Alle familieleden hebben de Syrische nationaliteit. Eiseres, haar kleinkinderen en haar schoondochter verbleven ten tijde van de aanvraag samen in een opvangkamp voor ontheemden in Syrië.
2.1.
De aanvragen van de echtgenote en van de meeste kinderen van referent zijn op 10 juli 2024 ingewilligd. De aanvragen van drie dochters van referent, [dochter 1] , [dochter 2] en [dochter 3] , zijn aanvankelijk afgewezen. Hun aanvragen zijn op 20 juni 2025 ingewilligd na bezwaar. Gedurende de bezwaarprocedure verbleven de drie (minderjarige) dochters bij hun grootmoeder, eiseres. Inmiddels zijn alle kinderen en de echtgenote van referent Nederland ingereisd. Ter zitting is verder gebleken dat eiseres het opvangkamp heeft verlaten en is teruggekeerd naar de plaats waar haar oude woning heeft gestaan.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen. Verweerder heeft daar aan ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] tussen eiseres en referent. Tussen eiseres en referent bestaan geen bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft wel aangenomen dat er sprake is van gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen [dochter 1] , [dochter 2] en [dochter 3] , omdat sprake is van hechte persoonlijke banden. Verweerder heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt, die in het nadeel van eiseres uitvalt.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Verweerder heeft niet voldoende betrokken dat eiseres en referent lange tijd hebben samengewoond. Verweerder heeft ook onvoldoende rekening gehouden met het feit dat referent eiseres contant geld stuurt en daarom de financiële afhankelijkheid niet onderbouwd kan worden met bewijsstukken. Ook heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de medische klachten van eiseres en dat zij afhankelijk is van zorg, terwijl alle familieleden van eiseres naar Nederland zijn vertrokken. Er is ook onvoldoende betrokken dat er sprake is van sterke emotionele afhankelijkheid, nu eiseres vanwege haar medische omstandigheden niet meer buitenshuis kwam en daarom niemand anders sprak dan referent en haar kleinkinderen. Verder had verweerder de barre omstandigheden in het vluchtelingenkamp waar eiseres verbleef, moeten betrekken. Ook de vaststelling van verweerder dat er hechte persoonlijke banden bestaan tussen eiseres en haar kleinkinderen moet verweerder betrekken in dit kader. Referent is afhankelijk van de hulp van eiseres voor het opvoeden van zijn kinderen.
Verder is er geen sprake van een ‘fair balance’ in de belangenafweging die verweerder heeft verricht in het kader van het familieleven tussen eiseres en haar kleinkinderen. Verweerder kent onvoldoende waarde toe aan de intensiteit van de relatie tussen eiseres en haar kleinkinderen, nu zij een moederrol vervult voor haar kleinkinderen. De verwijzing van verweerder naar een uitspraak [2] van het EHRM waaruit blijkt dat banden tussen kleinkinderen en grootouders minder intensief zijn en daarom minder zwaar hoeven te wegen, gaat niet op. Het is niet in het belang van kleinkinderen om gescheiden te worden van hun oma. Verweerder kent onvoldoende gewicht toe aan de objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen en stelt ten onrechte dat eiseres geen banden heeft met Nederland. Ten slotte heeft verweerder in de belangenafweging te veel gewicht toegekend aan het economisch belang van de Nederlandse staat en onvoldoende betrokken dat referent huisvesting en een inkomen heeft waarmee hij eiseres kan ondersteunen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en dat er tussen hen dus geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven. De rechtbank is echter ook van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de belangenafweging in het kader van het gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen in het nadeel van eiseres uit valt. De rechtbank legt dat hieronder uit.
Is er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent?
6. Verweerder beoordeelt of er familie- of gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) op grond van het vereiste van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Deze elementen kunnen onder meer zijn: samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
6.1.
De bestuursrechter toetst het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden volledig. Ook toetst de bestuursrechter de motivering van verweerder volledig. Daarbij gaat de bestuursrechter na of de motivering in objectieve zin begrijpelijk is. De bestuursrechter toetst de uitkomst van de beoordeling of familie- en gezinsleven op grond van bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaat enigszins terughoudend, omdat verweerder die uitkomst moet baseren op een weging van de in samenhang bezien betrokken feiten en omstandigheden. Verweerder heeft daarbij namelijk beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling is dus niet alleen gebaseerd op een feitenvaststelling. [3]
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Verweerder heeft alle aangevoerde relevante feiten en omstandigheden betrokken bij de beoordeling en heeft ten aanzien van alle feiten en omstandigheden kenbaar gemotiveerd waarom deze, ook in samenhang bezien, niet maken dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
7.1.
Ten aanzien van het samenwonen tussen eiseres en referent heeft verweerder mogen betrekken dat vanwege de inconsistente verklaringen niet duidelijk is hoe lang zij precies hebben samengewoond. Verweerder heeft vervolgens betrokken dat er enige periode is samengewoond en heeft mogen concluderen dat uit de samenwoning niet volgt dat sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid.
7.2.
Ten aanzien van de gestelde financiële afhankelijkheid tussen eiseres en referent heeft verweerder mogen betrekken dat niet is onderbouwd dat referent contant geld stuurt naar eiseres. Verweerder heeft mogen betrekken dat deze financiële steun niet met stukken is onderbouwd en dat referent er ook tijdens het gehoor niet in is geslaagd om voldoende duidelijk te maken hoe vaak en hoe veel contant geld hij naar eiseres stuurt.
7.3.
Verder heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de medische omstandigheden van eiseres niet maken dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat niet is gebleken dat referent de enige persoon is die de zorg zou kunnen verlenen, gelet op de aanwezigheid van familieleden in Syrië die dichtbij eiseres wonen. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiseres regelmatig medische zorg ontvangt (ook in afwezigheid van referent) en dat referent heeft verklaard dat wanneer zij die zorg ontvangt, zij geen klachten heeft.
7.4.
Ten slotte heeft verweerder ook in het gezinsleven wat eiseres heeft met haar kleinkinderen geen aanleiding hoeven zien om aan te nemen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat er een afhankelijkheid bestaat tussen eiseres en referent omdat referent haar hulp nodig heeft in de opvoeding van zijn kinderen. Zij heeft deze afhankelijkheid verder niet onderbouwd. Dat verweerder wel gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen aanneemt wegens het bestaan van hechte persoonlijke banden, maakt ook niet dat er daarom ook gezinsleven tussen referent en eiseres bestaat. Het gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen vormt geen bijkomend element van afhankelijkheid in de relatie tussen referent en eiseres. [4]
Heeft verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiseres mogen laten uitvallen?
8. Niet in geschil is dat eiseres en haar kleinkinderen [dochter 1] , [dochter 2] en [dochter 3] familieleven hebben in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. In geschil is of verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiseres heeft kunnen laten uitvallen. Bij de beantwoording van de vraag of inmenging in het gezins- of privéleven beschermd door artikel 8 van Pro het EVRM is gerechtvaardigd, dient er een ‘fair balance’ te worden gevonden tussen de belangen van de vreemdeling enerzijds en het algemeen belang van de Staat anderzijds. De rechtbank beoordeelt zonder terughoudendheid of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en beoordeelt de uitkomst van de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend. [5]
8.1.
Uit uitspraken van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder in deze belangenafweging moet beoordelen welk gewicht aan de belangen van het kind toekomt. Volgens het beleid van verweerder verplicht artikel 3 van Pro het IVRK [6] om het belang van het kind als eerste overweging te betrekken in de besluitvorming. Volgens verweerder volgt uit de EHRM-rechtspraak dat het belang van het kind centraal staat in de belangenafweging en zwaar gewicht toekomt. [7]
8.2.
Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt verder dat verweerder de intensiteit of aard van het gezinsleven tussen een kleinkind en een grootouder mag betrekken in de belangenafweging. [8] Verweerder mag zich daarbij, alleen als hij gemotiveerd inzicht geeft in de daarbij betrokken omstandigheden, op het standpunt stellen dat de intensiteit of aard van het gezinsleven tussen de grootouder en het kleinkind niet in het voordeel van de vreemdelingen wordt betrokken. Daarbij mag verweerder volgens de hoogste bestuursrechter betrekken dat de relatie tussen grootouders en kleinkinderen over het algemeen een mindere mate van bescherming vereist dan de relatie tussen ouders en hun kinderen. [9] Verweerder kan van dit standpunt afwijken wanneer de feiten en omstandigheden daar aanleiding toe geven, bijvoorbeeld gelet op de rol die ouders en grootouders hebben gehad in de opvoeding van het betrokken (klein)kind. [10]
8.3.
Verweerder heeft in het voordeel van eiseres betrokken dat er gezinsleven bestaat tussen haar en haar kleinkinderen. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat eiseres en haar kleinkinderen samenwoonden in afwezigheid van de ouders van de kleinkinderen en dat eiseres de ouderrol op zich heeft genomen, ook al toen referent nog aanwezig was. De banden zijn hierdoor hechter volgens verweerder. Vervolgens heeft verweerder erop gewezen dat de relatie tussen grootouder en kleinkind een mindere mate van bescherming geniet dan de relatie tussen ouder en kind en dat van de kinderen gelet op hun leeftijd verwacht kan worden zich aan te passen. Verweerder heeft de banden en intensiteit daarvan daarom niet zwaarwegend meegewogen in het voordeel van eiseres. Over de objectieve belemmering om het gezinsleven uit te oefenen heeft verweerder toegelicht dat dit geen zwaar dan wel doorslaggevend belang toekomt, omdat aan het bestaan van familieleven tussen een grootouder en kleinkind minder gewicht toekomt. In het nadeel van eiseres heeft verweerder betrokken dat eiseres sterke banden met Syrië heeft en geen sterke banden heeft met Nederland. Verder heeft verweerder betrokken dat al in het belang van de kinderen is voorzien door het verblijf bij hun vader, referent. Dit belang komt daarom geen gewicht in het voordeel van eiseres toe. Ten slotte heeft verweerder het economisch belang van Nederland in het nadeel van eiseres betrokken.
8.4.
De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging onvolledig is en dat er geen sprake is van een ‘fair balance’ in de door verweerder verrichte belangenafweging. Verweerder heeft namelijk onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd op welke wijze is betrokken dat eiseres, zowel in aanwezigheid als in afwezigheid van referent, een ouderrol voor haar kleinkinderen heeft vervuld. Ook het feit dat eiseres de enige verzorger was van de kleinkinderen gedurende de jaren dat beide biologische ouders afwezig waren, heeft verweerder weliswaar vastgesteld maar onvoldoende kenbaar in de beoordeling betrokken. [11] Dat eiseres en de kleinkinderen die jaren in een vluchtelingenkamp in Syrië woonden, heeft verweerder ten onrechte helemaal niet betrokken. Niet in geschil is dat de biologische moeder van de kleinkinderen hen op jonge leeftijd heeft verlaten en dat eiseres deze moederrol over heeft genomen. [12] Verweerder heeft daarbij onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd welk gewicht aan deze omstandigheden toekomt, met name bij de vraag hoe de rol die eiseres deels onder zware omstandigheden heeft vervuld zich verhoudt tot het standpunt van verweerder dat in het algemeen de relatie tussen grootouder en kleinkind een mindere mate van bescherming vereist. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank ook niet inzichtelijk gemotiveerd waarom aan de objectieve belemmering om het gezinsleven uit te oefenen in Syrië geen zwaar dan wel doorslaggevend belang toekomt.
8.5.
De rechtbank is ook van oordeel dat niet inzichtelijk is gemaakt of en hoe deze omstandigheden zijn betrokken in de vaststelling van de belangen van de (klein)kinderen en de weging daarvan in de belangenafweging
. [13] Verweerder heeft voor het vaststellen van de belangen van de kinderen en de weging daarvan niet kunnen volstaan met de enkele verwijzing naar de passage in het bestreden besluit waarin de intensiteit van het familieleven is afgewogen. De rechtbank overweegt ook dat niet duidelijk is waarom verder enkel is betrokken dat in het belang van de kinderen is voorzien met het verblijf bij referent (hun vader). Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij aan het belang van de kinderen om (ook) bij eiseres te zijn, gelet op de ouderrol die zij jarenlang heeft vervuld, geen gewicht in het voordeel heeft toegekend. De rechtbank wijst er daarbij op dat verweerder weliswaar mag betrekken dat referent nu weer de hoofdverzorger is van de kinderen, maar dat verweerder onder deze omstandigheden niet in het geheel geen gewicht toe kan kennen aan de grote rol van eiseres in het leven van haar kleinkinderen. [14]
8.6.
De rechtbank wijst er ten slotte op dat in het beleid van verweerder staat dat de staat in beginsel een kleinere beoordelingsruimte heeft onder alle omstandigheden wanneer sprake is van (een) kind(eren) in het gezin. [15] De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting gewezen op eerder genoemde WI 2020/16, waarin staat dat het belang van een kind om ook met zijn grootouder te wonen in Nederland minder groot is als het kind in Nederland twee biologische ouders heeft die voor hem zorgen. Van een dergelijke situatie is echter geen sprake, nu alleen de biologische vader van de (klein)kinderen van eiseres in Nederland is. De rechtbank is het eens met eiseres dat verweerder de omstandigheid dat de moeder van de kinderen niet in Nederland is om voor hen te zorgen, gezien het beleid in de belangenafweging had moeten betrekken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder zal een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank draagt verweerder om op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de proceskosten van eiseres
vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten
bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€1.868,-. [16]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 20 juni 2025;
  • draagt verweerder op om binnen 6 weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 5 maart 2019 in de zaak Bogonosovy t. Rusland (nr. 38201/16).
3.Zie onder meer de uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 5.2 en 5.3.
4.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2142, r.o. 5.1.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.
6.Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.
7.Zie de Werkinstructie (WI) 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro, pagina 26. Zie ook het Informatiebericht SUA 2022/83 Toelichting belang van het kind.
8.Zie de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3170 en 27 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3894.
9.Idem.
10.Idem.
11.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, r.o. 13.3.
12.Zie pagina 4 van het verslag van de hoorzitting van 19 juni 2025.
13.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, r.o. 14
14.Idem, r.o. 13.4
15.Zie Werkinstructie 2020/16, p. 13 en 14.
16.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een