ECLI:NL:RBDHA:2026:807

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11703025 \ EL EXPL 25-2
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenleaseovereenkomsten en onrechtmatig handelen door Dexia

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen Afnemer en Dexia Nederland B.V. Afnemer had via een tussenpersoon effectenleaseovereenkomsten afgesloten met Dexia, waarbij hij geld leende om aandelen te kopen. Door de daling van de aandelenwaarde heeft Afnemer verlies geleden en vordert hij schadevergoeding van Dexia. De kantonrechter oordeelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door Afnemer als cliënt te accepteren, terwijl de tussenpersoon niet beschikte over de benodigde vergunning voor beleggingsadvies. De rechter verwijst naar eerdere jurisprudentie en concludeert dat Dexia aansprakelijk is voor de door Afnemer geleden schade. De vorderingen van Afnemer worden toegewezen, en Dexia wordt veroordeeld tot schadevergoeding en betaling van proceskosten. De kantonrechter wijst ook het incidentele verzoek van Dexia af, waarbij zij om informatie vroeg over de advisering door de tussenpersoon. De rechter benadrukt het belang van vertrouwelijkheid in de communicatie tussen Afnemer en zijn rechtsbijstandverlener.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Gouda
AR/c
Zaaknummer: 11703025 EL EXPL 25-2
8 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter van:
in de zaak van
[partij A] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna Afnemer en Dexia genoemd.

1.Kern van de zaak

1.1.
Afnemer heeft via een tussenpersoon effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomsten hielden het volgende in. Afnemer leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. Afnemer betaalde met name rente (inleg), per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomsten werden de aandelen verkocht en moest Afnemer het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zo laag dat Afnemer verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door Afnemer geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door Afnemer geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 7 mei 2025, tevens houdende incidentele vordering ex artikel 194 en 195 Rv;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van Dexia, tevens
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie van Afnemer,
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van Dexia;
  • de conclusie van dupliek in reconventie van Afnemer, tevens houdende akte uitlaten
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.3. De feiten

3.1.
Afnemer heeft de volgende leaseovereenkomsten (verder: de overeenkomsten) ondertekend met zijn ex-echtgenote waarop hij en zijn ex-echtgenote als lessee stonden vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Leasesom
Looptijd
[nummer 1]
24 juli 2001
Profit Effect
€ 9.271,78
120 maanden
[nummer 2]
25 juli 2001
Profit Effect
€ 9.271,64
120 maanden
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten twee eindafrekeningen opgesteld met het volgende resultaat:
Contractnr.
Datum eindafrekening
(koersdatum)
Resultaat
Betaald
[nummer 1]
25 juli 2011
- € 1.870,96
€ 623,59 (conform Hofmodel)
[nummer 2]
25 juli 2011
- € 1.898,06
€ 632,62 (conform Hofmodel)
3.3.
De ex-echtgenote van [partij A] heeft op 3 maart 2025 haar vorderingen die zij op Dexia meent te hebben bij akte van cessie overgedragen aan Afnemer. Deze cessie is op 6 maart 2025 medegedeeld aan Dexia. In het vervolg van dit vonnis zal daarom alleen over Afnemer worden gesproken als contractspartij bij de overeenkomsten.
3.4.
Volgens opgave van Dexia heeft Afnemer op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 10.124,12 aan maandtermijnen en een bedrag van € 1.256,21 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft Afnemer € 1.504,24 aan dividenden ontvangen en € 346,92 aan fiscaal voordeel genoten. Op 10 februari 2025 heeft Dexia een bedrag van € 6.146,00 aan Afnemer uitgekeerd, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente.
3.5.
De gemachtigde van Afnemer, Leaseproces, heeft bij brief van 3 januari 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
4. De vordering en het verweer in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in de incidenten
4.1.
Afnemer vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in incident/voorwaardelijk:
 Dexia ex artikel 194 en 195 Rv zal veroordelen het aanvraagformulier en haar versie van de ondertekende overeenkomsten aan Afnemer te verstrekken,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens Afnemer en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 voor recht zal verklaren dat Afnemer schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan Afnemer van de schade en van al datgene dat Afnemer aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van Afnemer,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 Afnemer ex artikel 195 Rv zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens Afnemer in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan Afnemer verschuldigd is,
 Afnemer zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in de incidentenalgemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie Afnemer.
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
Afnemer heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
het incidentele verzoek van Dexia
5.4.
Dexia vordert dat Afnemer wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.5.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens Afnemer destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.6.
De proceskosten van dit incident/verzoek komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van Afnemer worden begroot op € 82,00.
tussenpersoon
5.7.
Afnemer heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [de tussenpersoon] Kredieten (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [2] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.8.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon Afnemer heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon Afnemer, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op Afnemer als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door Afnemer gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door Afnemer in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.9.
Afnemer stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“Afnemer kwam in contact met de tussenpersoon, doordat een medewerker van de tussenpersoon (ongevraagd) aan de deur langskwam. De medewerker vroeg of Afnemer geïnteresseerd was om geadviseerd te worden over zijn financiële mogelijkheden. De adviseur werd door Afnemer binnengelaten om de financiële situatie van Afnemer door te nemen. Tijdens het huisbezoek was de toenmalige partner van Afnemer, te weten mevrouw [naam] , ook aanwezig.
Tijdens het gesprek heeft de adviseur van de tussenpersoon zijn visitekaartje overhandigd. Vervolgens heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van Afnemer en [naam] . Zo is met de adviseur gesproken over de hypothecaire situatie van Afnemer en [naam] . Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van Afnemer en [naam] op de hypothecaire lening af te lossen. De adviseur gaf aan dat hij een geschikte constructie kon adviseren om de doelstelling van Afnemer en [naam] te kunnen verwezenlijken.
De adviseur adviseerde Afnemer en [naam] om twee Profit Effect overeenkomsten van Bank Labouchere af te sluiten met elk een vooruitbetaling van NLG 4.200,- evenals een krediet. Het krediet konden Afnemer en [naam] dan aanwenden om de vooruitbetalingen van de Profit Effect overeenkomsten te voldoen. Op deze manier zouden Afnemer en [naam] met de opbrengst van Profit Effect overeenkomsten de hypothecaire lening én de kredietlening kunnen aflossen. Overigens zouden Afnemer en [naam] met twee overeenkomsten aanzienlijk vermogen opbouwen en er zeker van zijn dat zij hun doelstelling zouden behalen, aldus de adviseur.
De adviseur heeft Afnemer en [naam] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, de kredietlening niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als Afnemer en [naam] op deze risico’s gewezen was, hadden zij de Profit Effect overeenkomsten nooit afgesloten.
Afnemer en [partij A] hadden geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwden daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden hebben Afnemer en [naam] het advies van de adviseur opgevolgd.”
5.10.
Afnemer heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- kopieën van de overeenkomsten van 25 juli 2001 met contractnummers [nummer 1] en [nummer 2] , voorzien van de tekst “
[adviseur] B.V.”;
- een kopie van een visitekaartje, voorzien van het logo van de tussenpersoon, waarop vermeld staat: “
[adviseur]”;
- een kopie van een uittreksel van de KvK van de tussenpersoon, waaruit blijkt dat de tussenpersoon onderdeel uitmaakte van [adviseur]
- een screenshot van de website van [adviseur] , waarop onder het kopje “
Financieel Advies”het volgende staat vermeld:
“Laat u adviseren op financieel gebied door experts van de [adviseur] . Wij zijn op de hoogte van de laatste wijzigingen in het belastingstelsel, de laatste rentelasten en tarieven. Neem contact op met één van onze vestigingen voor een persoonlijk advies.”
bezwaren van Dexia tegen eerdere uitspraken
5.11.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van Afnemer op zijn woord wordt geloofd, terwijl er juist door het feit dat er extreem veel tijd is verstreken tussen het afsluiten van de overeenkomsten en het moment dat Afnemer zich erop heeft beroepen dat hij is geadviseerd door de tussenpersoon, alle aanleiding is om behoedzaam met de verklaring van Afnemer om te gaan;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.12.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals Afnemer onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [3] [4] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft Afnemer, tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door Afnemer geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van Afnemer dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van Afnemer in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door Afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen Afnemer en de adviseur van de tussenpersoon en er voor haar geen aanleiding was eerder onderzoek te doen omdat Afnemer pas zeer laat een beroep heeft gedaan op advisering, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals Afnemer en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.13.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan Afnemer. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met Afnemer kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
aansprakelijkheid Dexia5.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met Afnemer de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens Afnemer onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan Afnemer omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [5] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van Afnemer5.15. De door Afnemer gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld door Afnemer als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Afnemer niet alleen als klant aanbracht maar Afnemer tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.16.
De door Afnemer geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door Afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door Afnemer niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Omdat reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
Afnemer heeft de schade berekend op € 9.529,17. Dexia heeft er terecht op gewezen dat het bedrag € 6.146,48 dat zij reeds heeft uitgekeerd minus het gedeelte hiervan dat rente is, hierop in mindering moet strekken. Dit zal volgens de hierboven geformuleerde uitgangspunten gebeuren.
5.17.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.18.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door Afnemer aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
het incidentele verzoek van Afnemer
5.19.
Afnemer verzoekt Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier en de bij Dexia in bezit zijnde ondertekende overeenkomsten. Uit het voorgaande volgt dat Afnemer in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat de vordering/het verzoek zal worden afgewezen. Afnemer zal worden veroordeeld in de proceskosten. Omdat het partijdebat in het voorwaardelijke incident is samengevallen met het debat in de hoofdzaak, worden de kosten in het incident tot op heden begroot op nihil.
vorderingen Dexia
5.20.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.21.
Omdat Afnemer inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van Afnemer gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
De proceskosten van Afnemer worden begroot op:
- dagvaarding € 135,97
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00)
- nakosten
€ 135,00
Totaal € 902,97
5.22.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.
6. De beslissing
De kantonrechter:
in het incident van Afnemer
6.1.
wijst het verzoek af;
6.2.
veroordeelt Afnemer in de proceskosten, tot op heden aan de kant van Dexia begroot op nihil;
in het incident van Dexia
6.3.
wijst de het verzoek van Dexia af;
6.4.
veroordeelt Dexia in proceskosten, tot op heden aan de kant van Afnemer begroot op € 82,00;
in conventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld door Afnemer als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Afnemer niet alleen als klant aanbracht maar Afnemer tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat;
6.6.
verklaart voor recht dat Afnemer schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden;
6.7.
veroordeelt Dexia om binnen drie weken na betekening van dit vonnis aan Afnemer de schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.16.;
6.8.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 902,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan een van de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
6.9.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.10.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.12.
wijst de vorderingen af;
6.13.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van Afnemer tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. E.A.W. Schippers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
3.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
4.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
5.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.