ECLI:NL:RBDHA:2026:9639

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
NL25.61612
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGArt. 8 EVRMArt. 8:57 AwbUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit voor derdelander met tijdelijke bescherming uit Oekraïne

Deze zaak betreft een derdelander uit Oekraïne die facultatieve tijdelijke bescherming genoot op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming, maar van wie het recht op verblijf is geëindigd. De minister legde een terugkeerbesluit op omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 eindigde en er geen lopende vreemdelingenprocedures waren die rechtmatig verblijf zouden rechtvaardigen.

Eiser betoogde dat de minister onzorgvuldig had gehandeld, onvoldoende had gemotiveerd dat hij geen rechtmatig verblijf had, onterecht geen individuele belangenafweging had gemaakt en onvoldoende had getoetst aan artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat de minister niet onzorgvuldig was, dat de motivering voldoende was, dat geen individuele belangenafweging vereist was en dat het recht op privéleven voldoende was betrokken.

De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken en het arrest Kaduna van het Hof van Justitie, waarin werd bevestigd dat lidstaten facultatieve tijdelijke bescherming eerder mogen beëindigen. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen proceskostenvergoeding krijgt.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61612

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een terugkeerbesluit aan een zogeheten derdelander uit Oekraïne die facultatieve tijdelijke bescherming had op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn). [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit mocht opleggen. De minister heeft zich namelijk voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Ook heeft de minister terecht gesteld dat hij geen individuele belangenafweging of evenredigheidstoets hoeft te verrichten. Verder heeft de minister voldoende getoetst of het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM in de weg staat aan het opleggen van het terugkeerbesluit en heeft de minister niet onzorgvuldig gehandeld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser met het besluit van 10 december 2025 een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond en inleidende opmerkingen
3. Eiser komt uit Turkije. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 [3] van 4 maart 2022. Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft deze asielaanvraag op 12 november 2025 ingetrokken, zodat hij geen lopende procedures meer heeft.
3.1.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bekend gemaakt met het besluit van 23 augustus 2023. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) met de uitspraak van 17 januari 2024 [4] had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. In de brief van 19 februari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024. Ook staat in die brief dat eiser geen terugkeerbesluit zou ontvangen omdat hij nog een lopende asielaanvraag had.
3.2.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 [5] en 25 april 2024 [6] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Naar aanleiding hiervan heeft de minister een bevriezingsmaatregel genomen, inhoudende dat personen van wie de tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mochten maken van de rechten die zij onder de Richtlijn hadden. De door de Afdeling en zittingsplaats Amsterdam gestelde vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). [7] Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [8] uitgelegd hoe het arrest Kaduna dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. [9] Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. [10]
Het bestreden besluit
4. De minister heeft eiser een terugkeerbesluit opgelegd, omdat hij geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Zijn recht op tijdelijke bescherming onder de Richtlijn is op 4 maart 2024 geëindigd en hij heeft geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures die leiden tot rechtmatig verblijf. [11] Ook hoefde eiser volgens de minister niet in persoon te worden gehoord voordat het terugkeerbesluit werd opgelegd. Verder heeft de minister geen individuele belangenafweging verricht, omdat hiervoor geen plaats is. Ten slotte zijn er volgens de minister geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen.
Heeft de minister onzorgvuldig gehandeld?
5. Eiser betoogt dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld. In het besluit stelt de minister namelijk dat er in het voornemen onjuiste informatie was opgenomen over een vermeende bevriezingsmaatregel en een lopende beroepsprocedure. De minister heeft echter niet onderzocht of deze fouten gevolgen hebben gehad voor de besluitvorming of voor de rechtspositie van eiser.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft niet onzorgvuldig gehandeld door niet te onderzoeken of de onjuiste informatie in het voornemen gevolgen heeft gehad voor de besluitvorming of eisers rechtspositie. In het voornemen van 12 november 2025 staat dat eiser nog onder de bevriezingsmaatregel valt. De bevriezingsmaatregel is echter al op 4 september 2025 gestopt, zodat dat niet mogelijk is. Ook staat in het voornemen dat eiser nog een openstaande beroepszaak heeft. In het besluit geeft de minister aan dat dit onjuistheden zijn die per abuis in het voornemen zijn opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze onjuistheden te beschouwen als kennelijke verschrijvingen. Naast het feit dat de bevriezingsmaatregel op dat moment al twee maanden was gestopt, zou eiser immers ten tijde van het voornemen wél rechtmatig verblijf hebben gehad als deze informatie juist was. Uit de rest van het voornemen blijkt echter duidelijk dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft en dat de minister daarom voornemens was om aan hem een terugkeerbesluit op te leggen. Het is dan ook duidelijk dat de fouten geen gevolgen hebben gehad voor de besluitvorming, zodat de minister daar geen onderzoek naar heeft hoeven doen.
Heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij geen rechtmatig verblijf meer zou hebben. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt op grond van welke concrete wettelijke bepaling eiser geen rechtmatig verblijf meer zou hebben. Ook heeft de minister niet beoordeeld of er sprake is van overgangsrecht, opschorting of andere beletselen die aan onmiddellijke vaststelling van onrechtmatig verblijf in de weg staan.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft. Hij heeft in het besluit namelijk overwogen dat eisers recht op tijdelijke bescherming onder de Richtlijn op 4 maart 2024 is geëindigd. Daarnaast heeft hij overwogen dat eiser ook geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures heeft die leiden tot rechtmatig verblijf, of dat eiser in het bezit is van een verblijfsvergunning. De minister heeft het besluit voldoende gemotiveerd door daarmee te volstaan, nu eiser niet heeft toegelicht welke andere concrete beletselen in de weg zouden staan aan de vaststelling dat hij geen rechtmatig verblijf heeft. Daarbij acht de rechtbank ook nog van belang dat eiser niet stelt, laat staan onderbouwt, dat hij wél rechtmatig verblijf heeft.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat hij geen individuele belangenafweging of evenredigheidstoets hoeft te verrichten?
7. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het terugkeerbesluit kan worden opgelegd zonder individuele belangenafweging, omdat
eiser niet (langer) onder de reikwijdte van de Richtlijn valt. Ook bij het opleggen van een terugkeerbesluit dient de minister de relevante individuele feiten en omstandigheden kenbaar te betrekken bij de besluitvorming. Uit de beschikking blijkt niet dat de minister de persoonlijke omstandigheden van eiser heeft meegewogen. Ook bevat het besluit geen toets aan de noodzakelijkheid en proportionaliteit.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor een individuele belangenafweging geen plaats is. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 5 september 2025. [12] Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. De minister heeft daarom terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming.
Heeft de minister voldoende getoetst of het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM in de weg staat aan het opleggen van het terugkeerbesluit?
8. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft getoetst of het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM in de weg staat aan het opleggen van het terugkeerbesluit. Het recht op privéleven moet al in het kader van het terugkeerbesluit worden betrokken. De minister heeft echter slechts overwogen dat eiser een afzonderlijke aanvraag kan indienen als hij denkt rechten te kunnen ontlenen aan het recht op privéleven.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft voldoende rekening gehouden met eisers recht op privéleven bij het opleggen van het terugkeerbesluit. Door op 12 november 2025 een voornemen uit te brengen, heeft de minister eiser de gelegenheid geboden om – onder meer in het kader van het recht op privéleven – alle relevante informatie naar voren te brengen. In zijn zienswijze op dit voornemen heeft eiser naar voren gebracht dat de minister aan het recht op privéleven moet toetsen en daarbij alle relevante feiten en omstandigheden moet betrekken. Eiser heeft echter op geen enkele wijze toegelicht welke feiten en omstandigheden er spelen in eisers situatie. Ook in beroep heeft eiser zijn persoonlijke situatie niet toegelicht. Nu eiser – ondanks daartoe de gelegenheid te hebben gekregen – geen relevante omstandigheden in het kader van het recht op privéleven naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank niet in op welke manier de minister dergelijke omstandigheden bij het opleggen van het terugkeerbesluit had kunnen betrekken. De minister heeft dan ook mogen volstaan met de overweging dat eiser, indien hij meent een verblijfsrecht te ontlenen aan het recht op privéleven, een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
3.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
7.ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
9.Kamerstukken II, 2024-2025, 19637, nr. 3434.
11.In de zin van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
12.ECLI:NL:RBDHA:2025:16546, rechtsoverweging 5.2.