ECLI:NL:RBDHA:2026:9639
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit voor derdelander met tijdelijke bescherming uit Oekraïne
Deze zaak betreft een derdelander uit Oekraïne die facultatieve tijdelijke bescherming genoot op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming, maar van wie het recht op verblijf is geëindigd. De minister legde een terugkeerbesluit op omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 eindigde en er geen lopende vreemdelingenprocedures waren die rechtmatig verblijf zouden rechtvaardigen.
Eiser betoogde dat de minister onzorgvuldig had gehandeld, onvoldoende had gemotiveerd dat hij geen rechtmatig verblijf had, onterecht geen individuele belangenafweging had gemaakt en onvoldoende had getoetst aan artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat de minister niet onzorgvuldig was, dat de motivering voldoende was, dat geen individuele belangenafweging vereist was en dat het recht op privéleven voldoende was betrokken.
De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken en het arrest Kaduna van het Hof van Justitie, waarin werd bevestigd dat lidstaten facultatieve tijdelijke bescherming eerder mogen beëindigen. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen proceskostenvergoeding krijgt.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.