ECLI:NL:RBDHA:2026:9968
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag en ontzegging verblijfsrecht wegens gevaar voor openbare orde
Eiser diende op 24 april 2024 een opvolgende asielaanvraag in, die door de minister op 19 november 2024 niet-ontvankelijk werd verklaard. Eiser betwistte dit besluit en voerde onder meer aan dat hij met een antecedentenverklaring had aangetoond geen strafbare feiten te hebben gepleegd en dat er sinds het eerdere besluit uit 2014 wijzigingen zijn in de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank oordeelde dat de tegenwerping van artikel 1(F) uit 2014 in rechte vaststaat en dat de antecedentenverklaring niet relevant is voor de beoordeling van de opvolgende aanvraag. Nieuwe jurisprudentie werd niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden erkend. De aanvullende beroepsgronden van januari 2026 werden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.
Verder heeft de minister het verblijfsrecht van eiser op grond van artikel 20 VWEU Pro ontzegd omdat hij een gevaar voor de openbare orde vormt. De rechtbank vond de belangenafweging van de minister deugdelijk gemotiveerd, waarbij het belang van de staat zwaarder weegt dan het gezinsleven van eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag en de ontzegging van het verblijfsrecht wegens gevaar voor de openbare orde.