ECLI:NL:RBGEL:2025:10140

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
ARN 24/3511
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PwArt. 11 PwArt. 15 PwArt. 16 PwArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor papegaai en studiekosten bevestigd

Eiseres vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van haar papegaai en studiekosten in het kader van een re-integratietraject. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede wees deze aanvraag af, waarna eiseres bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat de kosten van een huisdier tot de algemene noodzakelijke kosten van bestaan behoren en dat eiseres geen medische of psychosociale indicatie had voor haar papegaai die recht zou geven op bijzondere bijstand. Ook waren de studiekosten reeds voldaan door haar ouders, waardoor geen recht op bijzondere bijstand bestond. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en schending van de hoorplicht werd afgewezen, hoewel de rechtbank vaststelde dat het college de hoorplicht had geschonden door het uitstelverzoek van eiseres niet te honoreren.

De rechtbank veroordeelde het college wel tot vergoeding van het griffierecht en de reiskosten van eiseres. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor de papegaai en studiekosten is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3511

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, het college

(gemachtigde: mr. A. Klok).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw), voor de kosten van het houden van haar papagaai en voor de kosten van haar opleiding. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: heeft het college de aanvraag voor bijzondere bijstand terecht afgewezen en heeft eiseres recht op een schadevergoeding? Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Bij besluit van 1 december 2023 (het primaire besluit I) heeft het college de aanvraag van eiseres van 4 juli 2023 om bijzondere bijstand voor de kosten van het houden van een papagaai en de kosten van een opleiding in het kader van het re-integratietraject bij Werkkracht afgewezen. Bij besluit van 6 december 2023 (het primaire besluit II) heeft het college aan eiseres een dwangsom toegekend van € 567. Met het bestreden besluit van 1 mei 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard. Het college heeft het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II gegrond verklaard, dit besluit herroepen en de dwangsom vastgesteld op de maximale dwangsom van € 1.442.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigden en de gemachtigde van het college
.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres ontvangt bijstand van het college naar de norm voor een alleenstaande. Zij is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft een vorm van autisme. Eiseres woont op een kamer bij iemand in [plaats] . Zij heeft een papagaai (Kiko). Kiko geeft eiseres afleiding. Eiseres wordt vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) begeleid door Stichting Siza.
3.1.
In juni 2022 is eiseres gestart met de opleiding cyber security bij IT-Vitae in Amersfoort. Van Werkkracht (onderdeel van de gemeente Ede) heeft eiseres toestemming gekregen voor het volgen van deze opleiding. De totale kosten van de opleiding bedragen
€ 21.540. Hiervan wordt door IT-Vitae de helft in rekening gebracht bij de deelnemer en het resterende bedrag wordt door hen voorgefinancierd. De reiskosten voor het openbaar vervoer voor deze opleiding worden vergoed door Werkkracht. De facturen van IT-Vitae zijn betaald door de ouders van eiseres. De afspraken met betrekking tot deze opleiding zijn vastgelegd in het Werkplan van 2 juni 2022. In juli 2023 is eiseres, vanwege gezondheidsredenen, gestopt met haar opleiding.
3.2.
Op 4 juli 2023 heeft eiseres bij het college een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van haar papagaai (de vaste maandelijkse kosten zoals voer) ter hoogte van € 150 per maand en voor de studiekosten ter hoogte van € 10.770.
3.3.
Omdat het college nog geen besluit had genomen op haar aanvraag, heeft eiseres het college, bij brief van 23 september 2023, in gebreke gesteld. Vervolgens heeft zij op 24 oktober 2023 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen door het college op haar aanvraag van 4 juli 2023. Daarbij heeft eiseres de rechtbank verzocht om het college te veroordelen tot het vergoeden van de door haar geleden immateriële schade. Vervolgens heeft het college de primaire besluiten I en II afgegeven. Met het primaire besluit I heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de kosten van de papagaai behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan. Eiseres krijgt geen vergoeding voor de kosten van de studie (opleiding), omdat op de datum van de aanvraag, 4 juli 2023, er geen kosten zijn. De kosten zijn namelijk op een andere manier voldaan, namelijk door de ouders van eiseres. Met het primaire besluit II heeft het college een dwangsom aan eiseres toegekend van € 567.
3.4.
Met haar brief van 1 januari 2024 heeft eiseres aan de rechtbank laten weten dat zij zich niet kan verenigen met deze primaire besluiten. Met haar uitspraak van 7 maart 2024 heeft deze rechtbank het beroep van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen en het van rechtswege ontstane beroep tegen de primaire besluiten I en II doorverwezen naar het college om verder als bezwaarschrift te behandelen. [1]
3.5.
In haar brief van 15 januari 2024 heeft eiseres de kosten van haar papagaai nader gespecificeerd. De algemene (normale) maandelijkse kosten begroot zij daarin op circa € 50. De bijzondere noodzakelijk te maken kosten begroot eiseres op circa € 100 per maand. Dit betreffen met name medische kosten die zij voor Kiko moet maken, omdat Kiko een zwakke gezondheid heeft.
3.6.
Op 12 april 2024 heeft de hoorzitting in de bezwaarprocedure bij de Commissie voor Bezwaarschriften kamer II (de commissie) plaatsgevonden. Eiseres heeft verzocht om uitstel van deze hoorzitting. Maar dit verzoek is afgewezen. Eiseres was niet bij de hoorzitting aanwezig.
3.7.
Op 12 april 2024 heeft de commissie een advies uitgebracht in het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten I en II. Daarin overweegt en adviseert de commissie het volgende;
  • Bijzondere bijstand voor de kosten van de papagaai: volgens vaste rechtspraak behoren de kosten van een huisdier tot de algemene noodzakelijke kosten die uit het vaste inkomen moeten (kunnen) worden voldaan. Het gegeven dat de papagaai voor eiseres nuttig en belangrijk is voor haar eigen functioneren maakt dat niet anders. Overigens is het de vraag of er wel sprake is van kosten voor eiseres, omdat deze door haar ouders zijn voldaan. Eiseres maakt de vergelijking met een hulphond. Dan gaat het om een functie die ligt op het terrein van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Daarmee is sprake van een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15 van Pro de Pw. Eiseres heeft geen melding en aanvraag gedaan op grond van de Wmo 2015. Daarbij geldt overigens dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft bevestigd dat de kosten van een hulphond vallen onder de Zvw en niet onder de Wmo 2015. Bij de kosten voor een hulphond gaat het bovendien om de kosten van aanschaf en training. Als er geen voorliggende voorziening is, dan is er ook geen bijzondere bijstand mogelijk, tenzij daartoe zeer dringende redenen noodzaken (artikel 16 van Pro de Pw). Volgens de nieuwe lijn van de CRvB hoeft bij dringende redenen geen sprake meer te zijn van een acute noodsituatie, maar moet worden afgewogen of het niet verlenen van bijstand ernstige en blijvende gevolgen heeft voor de gezondheid van eiseres. Eiseres heeft niet gesteld en aangetoond dat daarvan sprake is;
  • Bijzondere bijstand voor de studiekosten: de aanvraag is afgewezen omdat er geen kosten (meer) zijn, de kosten doen zich niet voor. De betreffende twee facturen zijn namelijk al door de ouders van eiseres voldaan. Die betaling was ook niet bedoeld als lening aan eiseres om de studiekosten voor te schieten: van het begin af aan was het al de bedoeling dat de ouders de opleiding zouden financieren. Dit staat ook in het ondertekende Werkplan. Vanaf 26 juni 2023 is eiseres gewezen op een eventuele mogelijkheid van vergoeding door het Regiomaal Mobiliteit Team (RMT) van de regio Foodvalley. Later bleek hier inderdaad een vergoeding mogelijk te zijn voor de resterende kosten van de opleiding. Deze kosten zijn uiteindelijk niet gemaakt omdat eiseres met de opleiding is gestopt. De financiering van de opleiding (en het eventueel zoeken naar mogelijkheden voor vergoeding) behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van degene die die opleiding wil gaan volgen of volgt. Het navraag doen of het verwijzen naar het RMT is niet een directe verplichting van de gemeente Ede. Bovenal was er eerder ook geen aanleiding om te zoeken naar of te wijzen op eventuele mogelijkheden van vergoeding, omdat vanaf het begin duidelijk was dat de ouders van eiseres de opleiding wilden en zouden gaan betalen. Het gegeven dat eiseres van een derde partij een vergoeding had kunnen krijgen voor de kosten van het (uiteindelijk niet gevolgde) tweede deel van haar opleiding kan niet leiden tot het achteraf alsnog ontstaan van recht op bijstand van het college voor het (wel gevolgde) eerste deel van de opleiding. Sowieso is bijstand met terugwerkende kracht op grond van de Pw niet mogelijk. Wellicht kan eiseres alsnog bij het RMT verzoeken om vergoeding van de kosten ter hoogte van € 6.325 of anders het eerder toegezegde bedrag van € 4.445. Dat de doelgroepenregistratie traag zou zijn verlopen kan het college niet verweten worden. Uit het overzicht van de mailberichten blijkt dat het college vanaf in ieder geval 21 december 2021 al regelmatig heeft gewezen op het belang daarvan;
  • De dwangsom: voor de berekening daarvan is ten onrechte uitgegaan van 26 oktober 2023. Dat is de datum van de brief van de rechtbank. De ingebrekestelling is ontvangen op 23 september 2023. Dat betekent dat de maximale dwangsom van € 1.442 verschuldigd is. Eiseres heeft nog recht op € 875. De wettelijke rente van de nabetaling bedraagt € 20,42.
Vervolgens is het college overgegaan tot afgifte van het bestreden besluit. Waarbij het advies van de commissie onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit.
Waarom is eiseres het niet eens met het bestreden besluit?
4. Eiseres voert – samengevat – het volgende aan.
De hoorzitting
4.1.
Eiseres is niet gehoord in de bezwaarprocedure. Zij is weliswaar uitgenodigd voor een hoorzitting, maar heeft verzocht om uitstel daarvan. Dat verzoek is ten onrechte niet gehonoreerd. Eiseres heeft geen afstand gedaan van haar recht om gehoord te worden. Deze schending van de hoorplicht moet in ieder geval leiden tot het veroordelen van het college in de proceskosten, aldus eiseres.
De kosten van de papagaai
4.2.
De papagaai heeft voor eiseres een functie die in zekere zin vergelijkbaar is met de functie van een hulphond. Deze papagaai is chronisch ziek. De vaste maandelijkse kosten bedragen circa € 150. Deze kosten zijn zo hoog, omdat de papagaai heel erg vatbaar is voor ziekten en daarom duurder voer krijgt. Er is daarom sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Deze kosten zijn noodzakelijk, omdat de papagaai anders ziek wordt of komt te overlijden. Deze kosten kunnen niet worden gekwalificeerd als behorende tot de algemene noodzakelijke kosten van bestaan en komen daarom volgens eiseres wel voor vergoeding in aanmerking. De algemene ‘normale’ maandelijkse kosten van een kleine papagaai bedragen circa € 50. De bijzondere noodzakelijk te maken kosten bedragen circa € 100. Primair verzoekt eiseres de rechtbank het college alle kosten, te weten € 150 per maand, te laten betalen. Subsidiair moet het college de bijzondere noodzakelijke te maken kosten, te weten € 100 per maand, betalen. Het college heeft de ouders van eiseres toestemming verleend om de kosten van de papagaai voor haar te betalen. Daarmee erkent het college impliciet en wekt het college het vertrouwen, dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Het is juist dat eiseres geen melding en aanvraag heeft gedaan op grond van de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 (Wmo 2015), maar dat komt, doordat in het mailbericht van 26 juni 2023 van mevrouw [naam] aan de moeder van eiseres staat: “De kosten van de papegaai (…) eventueel via de bijzondere bijstand via de inkomensconsulent aanvragen (…)”. De kosten van de papagaai horen voor rekening van eiseres te komen, aangezien het haar papagaai is. Enkel vanwege het feit, dat zij deze kosten niet kan betalen en zij hem niet willen laten (over)lijden, nemen haar ouders deze kosten voor hun rekening. Het is echter niet de bedoeling dat haar ouders kosten voor hun rekening nemen die eigenlijk door eiseres gedragen zouden moeten worden. Maar het wordt eiseres onmogelijk gemaakt deze kosten zelf te betalen, omdat het college haar deze kosten niet wenst te vergoeden. De papagaai geeft eiseres – in psychische zin – zingeving in het leven en heeft daarmee directe invloed op haar geestelijke gezondheid. Als deze papagaai voor eiseres niet zo belangrijk was geweest, had zij hem al lang in laten slapen. Uit overwegingen van de commissie leidt eiseres af, dat zij kennelijk geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening. In dat geval blijft dus alleen een beroep op bijzondere bijstand over.
De studiekosten
4.3.
In totaal is een bedrag van € 6.325 aan studiekosten betaald. Mevrouw [naam] heeft in haar mailbericht aan de moeder van eiseres van 31 mei 2022 toestemming verleend voor het volgen van de opleiding. Wel diende de opleiding door haarzelf betaald te worden. Eiseres is ervan uit gegaan dat dit mailbericht is gebaseerd op een zorgvuldige afweging en zij heeft daaraan het vertrouwen ontleend dat deze kosten kennelijk niet voor vergoeding in aanmerking komen. Uit het mailbericht van mevrouw [naam] van 26 juni 2023 aan de moeder van eiseres valt op te maken dat het hebben van een zogenoemde doelgroepenregistratie de kans op het verkrijgen van een vergoeding voor studiekosten vergroot. Daar is echter nooit eerder op gewezen. Dat is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en de op het college rustende zorg- en informatieplicht. De aanvraag voor de doelgroepenregistratie heeft eiseres gedaan op 5 mei 2022, ruim voor aanvang van de studie. Pas met ingang van 7 juni 2023 is eiseres opgenomen in dit register. De trage behandeling van de aanvraag om een doelgroepenregistratie dient, mede op grond van het evenredigheidsbeginsel, voor rekening en risico van het college te komen. Indien deze trage behandeling voor rekening van eiseres zou komen, zou zij namelijk onevenredig benadeeld worden. Overigens, als eiseres had geweten dat de doelgroepenregistratie een voorwaarde was voor het verkrijgen van de vergoeding, had zij daar zeker meer vaart achter gezet. Het mailbericht van 26 juni 2023 is de reden geweest om bij het college alsnog een vergoeding aan te vragen voor de eerste twee termijnen van de studiekosten. Het is wrang om te moeten constateren dat deze aanvraag wordt afgewezen, omdat er op 4 juli 2023 geen kosten zijn, aangezien deze al op een andere wijze zijn voldaan. Deze kosten zijn echter reeds voldaan, omdat het ‘vertrouwen’ was gewekt, dat deze niet voor vergoeding in aanmerking zouden komen. Bij tijdige doelgroepenregistratie zouden de studiekosten kennelijk wel vergoed zijn. Uit een mailbericht van 6 juli 2023 van mevrouw [naam] leidt eiseres af dat er geen beletselen zijn om de derde termijn van de studiekosten wel te vergoeden. Daarom gaat eiseres ervan uit dat er in principe ook geen (overige) beletselen zijn (geweest) om de eerste twee termijnen te vergoeden. Achteraf bezien is feitelijk het enige beletsel om de eerste twee termijnen te vergoeden de doelgroepenregistratie geweest. Eiseres is van mening dat het te laat indienen van de aanvraag van 4 juli 2023 verschoonbaar is.
Naar aanleiding van het advies van de commissie merkt eiseres het volgende op. Dat haar ouders de opleiding zouden financieren is een harde voorwaarde geweest. Daarmee hebben de ouders van eiseres ingestemd. De constatering van de commissie, dat in het ondertekende werkplan staat, dat haar ouders de kosten betalen, is feitelijk gezien juist. Deze toezegging moet wel in de volgende context worden geplaatst. De mogelijkheid om de opleiding te gaan volgen kwam na een periode van alleen maar negativiteit. Dat bracht, ook bij de ouders van eiseres, veel emotie te weeg. Dat zij in zo’n emotioneel beladen situatie toezeggen de studiekosten te zullen gaan vergoeden is niet meer dan vanzelfsprekend. Ook de opmerking van de commissie dat de betaling niet bedoeld was als een lening moet in deze context worden geplaatst. De mogelijkheid van vergoeding van de studiekosten door het RMT bestond op het moment dat de kosten zijn gemaakt kennelijk nog niet.
Schadevergoeding
4.4.
In haar brief van 1 januari 2024 aan de rechtbank heeft eiseres om een schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht. Het college heeft daar in het bestreden besluit niets over besloten. Samengevat is eiseres van mening dat indien en voor zover de rechtbank van oordeel is dat het verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van de papagaai en de studiekosten terecht is afgewezen, zij recht heeft op schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb, wegens het tekortschieten door het college in de zorg- en informatieplicht. Indien de rechtbank niet eerder dan 24 oktober 2025 tot een uitspraak komt op haar beroep, verzoekt eiseres de rechtbank om toekenning van een immateriële schadevergoeding. Verder verzoekt eiseres de rechtbank het college te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente indien en voor zover het college bedragen die het naar het oordeel van de rechtbank aan haar behoort te vergoeden, niet binnen door de rechtbank bepaalde termijn aan eiseres betaalt.
Het verweer van het college
5. In het verweerschrift van 14 juni 2024 stelt het college zich op het volgende standpunt. Het college heeft eiseres in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Zij heeft echter, om haar moverende redenen, welbewust gekozen om niet naar de hoorzitting te komen. Er was geen sprake van verhindering.
Wat betreft de afwijzing van bijzondere bijstand voor een papagaai en studiekosten wordt niets nieuws aangevoerd, althans niets dat zou moeten leiden tot een ander besluit.
In de aanvulling van haar eerste beroepschrift verzoekt eiseres de rechtbank om, als de rechtbank van oordeel is dat het college de aanvraag van studiekosten terecht heeft afgewezen, het college te veroordelen tot een schadevergoeding. Het college heeft dit niet opgevat als een bezwaargrond gericht aan het college. Duidelijk moge zijn dat, nu het college zich op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag voor bijzondere bijstand voor studiekosten terecht is afgewezen, het college van mening is dat het ook geen schadevergoeding verschuldigd is. Het college verzoekt de rechtbank dat in de besluitvorming te lezen.
Wat vindt de rechtbank?
Wat is niet meer in geschil?
6. De rechtbank stelt allereerst vast de hoogte van de in het bestreden besluit vastgestelde dwangsom van € 1.442 tussen partijen niet in geschil is.
Toetsingskader
7. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Pw eerst moet worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte. [2]
Heeft het college de hoorplicht geschonden?
8. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 25 november 2022 [3] heeft geoordeeld dat:
“4.1.2 Voordat een bestuursorgaan op een bezwaar beslist, dient het belanghebbenden op grond van artikel 7:2, lid 1, Awb in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De wettelijke regeling over het horen van degene die bezwaar maakt, staat het bestuursorgaan toe voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht een tijdstip en een locatie te kiezen. De vrijheid die het bestuursorgaan in dit verband heeft, wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Die beginselen brengen mee dat rekening moet worden gehouden met de redelijke belangen van de betrokkene(n) en van het bestuursorgaan. Het bestuursorgaan moet die belangen in voorkomend geval tegen elkaar afwegen. Uitgangspunt daarbij is (a) dat het aan het bestuursorgaan is om tijd en plaats van het hoorgesprek te bepalen, en (b) dat geen regel of beginsel meebrengt dat een hoorgesprek alleen kan worden gehouden op een plaats en tijdstip die de belanghebbende en diens gemachtigde uitkomen, bijvoorbeeld in verband met andere verplichtingen.
4.1.3
Indien het bestuursorgaan een hoorgesprek heeft gepland, zal het een redelijk verzoek van de belanghebbende om uitstel van dat gesprek als regel moeten inwilligen. Het bestuursorgaan wijst zo’n verzoek alleen af als zwaarder wegende, bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan zo’n uitstel in de weg staan.”
8.1.
Het college heeft eiseres, bij brief van 27 maart 2024, uitgenodigd voor een hoorzitting op 12 april 2024. Met haar mailbericht van 7 april 2024 heeft eiseres verzocht om uitstel van deze hoorzitting, omdat zij nog in overleg is om te bekijken of zij verzet gaat aantekenen tegen de uitspraak van deze rechtbank van 7 maart 2024. Het college heeft dit verzoek om uitstel, met het mailbericht van 8 april 2024, afgewezen, omdat het verzoek op een (te) laat tijdstip is ontvangen. De hoorzitting is inmiddels voorbereid door de commissieleden, de vertegenwoordigers van de afdelingen van de gemeente en de secretaris van de bezwaarschriftencommissie, aldus het college in dit mailbericht. Na een nadere mailwisseling tussen eiseres en het college, is het college bij de afwijzing van het uitstelverzoek van eiseres gebleven. Eiseres heeft zich vervolgens afgemeld middels haar mailbericht van 9 april 2024.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek om uitstel van de hoorzitting van eiseres geen onredelijk verzoek was en dat het college dit verzoek had moeten inwilligen. Eiseres heeft haar verzoek vijf dagen voor de geplande hoorzitting ingediend en de rechtbank acht dat niet onredelijk laat. Bovendien betrof het een eerste verzoek om uitstel van de hoorzitting. De rechtbank acht verder van belang dat in de uitspraak van 7 maart 2024 is overwogen dat de rechtbank het wenselijk vindt dat er eerst een bestuurlijke heroverweging (bezwaar) plaatsvindt waarna de rechtbank het van rechtswege ontstane beroep heeft verwezen naar het college voor behandeling als bezwaar. Wanneer eiseres verzet had aangetekend tegen (dit deel van) deze uitspraak, was een mogelijke uitkomst daarvan geweest dat de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit alsnog inhoudelijk had moeten behandelen. De verzetprocedure raakte daarmee aan de bezwaarprocedure. Dat de hoorzitting inmiddels al was voorbereid door de commissieleden, de vertegenwoordigers van de afdelingen van de gemeente en de secretaris van de bezwaarschriftencommissie maakt, naar het oordeel van de rechtbank, niet dat de belangen van het college om de hoorzitting van 12 april 2024 wel door te laten gaan zwaarder moeten wegen dan de belangen van eiseres bij uitstel van deze hoorzitting.
8.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college de hoorplicht heeft geschonden. Dat betekent dat het bestreden besluit een gebrek kent. Omdat eiseres door deze schending van de hoorplicht niet is benadeeld, passeert de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Eiseres heeft namelijk in beroep de gelegenheid gehad om haar standpunten naar voren te brengen en, indien gewenst, stukken over te leggen. Ook heeft zij kunnen reageren op de reactie van het college op haar standpunten in beroep.
Bijzondere bijstand voor de kosten van de papagaai
9. Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat kosten die verband houden met het bezit van een dier als huis- of gezelschapsdier - waaronder kosten van de dierenarts - tot de algemene kosten van het bestaan behoren, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. [4] Als er een medische of psychosociale indicatie is voor het hebben en houden van een dier, zoals bijvoorbeeld in geval van een blindengeleidehond of een hulphond die wordt benut in het kader van een therapie, kunnen de noodzakelijke meerkosten - als daarvoor geen voorliggende voorziening bestaat - in beginsel voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Van meerkosten is sprake als de (medische) kosten voor het huis- of gezelschapsdier zo hoog oplopen dat deze de reguliere kosten, die zijn verbonden aan het hebben van en de zorg voor dit dier, overstijgen. Het is in een dergelijk geval aan de aanvrager aannemelijk te maken dat sprake is van noodzakelijke meerkosten, dat deze kosten uit bijzondere omstandigheden voortvloeien en dat zij niet uit het beschikbare inkomen kunnen worden voldaan.
9.1.
Tijdens de zitting heeft eiseres haar primaire standpunt, dat het college alle kosten (€ 150 per maand) moet vergoeden als bijzondere bijstand, niet langer gehandhaafd. Haar subsidiaire standpunt, dat het college de meerkosten (€ 100) per maand moet vergoeden als bijzondere bijstand, heeft eiseres wel gehandhaafd. De rechtbank beoordeelt daarom alleen het subsidiaire standpunt.
9.2.
Gelet op de onder 9 benoemde vaste rechtspraak kunnen de meerkosten van Kiko alleen vergoed worden als bijzondere bijstand, als eiseres een medische of psychosociale indicatie heeft voor het hebben en houden van Kiko. Daarvan is, naar het oordeel van de rechtbank, geen sprake. Tijdens de zitting heeft eiseres toegelicht dat zij Kiko heeft gekocht, omdat ze altijd al een papagaai wilde hebben. Zij heeft geen advies van haar huisarts of een behandelaar gekregen om een papagaai te kopen. Eiseres heeft tijdens de zitting wel benadrukt dat Kiko zingeving in haar leven brengt en daarmee directe invloed op haar geestelijke gezondheid heeft. Dat betekent echter, naar het oordeel van de rechtbank, niet dat er gesproken kan worden van een medische of psychosociale indicatie van eiseres voor het hebben of houden van Kiko. Verder is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is – eiseres heeft dat namelijk niet onderbouwd – dat de meerkosten van Kiko dermate hoog zijn dat deze kosten niet vanuit de algemene bijstand die eiseres ontvangt van het college kunnen worden betaald. Hoe zeer eiseres zich ook de zorg van Kiko aantrekt en het belangrijk vindt om goed voor haar te zorgen, zijn de kosten niet aan te merken als kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Pw.
9.3.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval indien de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent echter niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden. [5]
9.3.1.
Het is de rechtbank niet gebleken dat er vanuit de zijde van het college toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht, waaruit eiseres redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het college de meerkosten van Kiko aan haar zou vergoeden als bijzondere bijstand. Dat het college de ouders van eiseres toestemming heeft verleend om de kosten van de papagaai voor haar te betalen, maakt dat niet anders. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dus niet.
9.4.
Het college heeft daarom terecht de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de meerkosten van de papagaai van eiseres afgewezen.
Bijzondere bijstand voor de opleidingskosten
10. Niet in geschil is dat de opleidingskosten (€ 6.325) waarvoor eiseres op 4 juli 2023 bijzondere bijstand heeft aangevraagd op het moment van deze aanvraag reeds waren voldaan. Uit artikel 35, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de Pw, vloeit voort dat in beginsel geen plaats is voor verlening van bijzondere bijstand voor kosten waarin ten tijde van de aanvraag al is voorzien. [6]
10.1.
In de argumenten die eiseres heeft aangevoerd en de omstandigheden die zij heeft benoemd, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de in 10 weergegeven hoofdregel. Het feit dat de kosten door de ouders van eiseres zijn voldaan maakt dit niet anders. Niet in geschil is dat het RMT een externe partij is en dus geen onderdeel is van het college. Naar het oordeel van de rechtbank is het college niet gehouden om eiseres te wijzen op eventuele mogelijkheden om een vergoeding van haar opleidingskosten via externe partijen aan te vragen. Bovendien maakt het feit dat het college mogelijk verzuimd heeft om op deze mogelijkheden te wijzen, naar het oordeel van de rechtbank, niet dat het college daarom zelf de studiekosten middels bijzondere bijstand aan eiseres dient te vergoeden. Hierbij betrekt rechtbank dat vanaf het begin af aan duidelijk is geweest dat het college deze kosten niet als bijzondere bijstand zou vergoeden. Ook is niet duidelijk of de mogelijkheid van financiering door het RMT er ten tijde van de start van de opleiding al was én onbekend is of het RMT destijds het door de ouders van eiseres betaalde deel van de opleidingskosten zou vergoeden. De beroepsgrond slaagt niet.
10.2.
Het college heeft daarom terecht de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de opleidingskosten van eiseres afgewezen.

Heeft eiseres recht op een schadevergoeding?

Vergoeding van de materiële schade
11. In artikel 8:88, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
11.1.
Tijdens de zitting heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat het college voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit onzorgvuldig heeft gehandeld, door haar niet te wijzen op het eventuele via andere instanties verkrijgen van een vergoeding van haar opleidingskosten. Daarom is er volgens eiseres sprake van onzorgvuldig handelen door het college voorafgaand aan het bestreden besluit.
11.2.
De rechtbank is van oordeel dat het onder 11.1 weergegeven standpunt niet geschaard kan worden onder één van de categorieën van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, op grond waarvan de rechtbank het college kan veroordelen tot vergoeding van de (vermeende) materiële schade van eiseres. Van een onrechtmatig besluit is gelet op wat de rechtbank in 9.4 en 10.2 heeft geoordeeld namelijk geen sprake. De rechtbank wijst daarom het verzoek om materiële schadevergoeding af.
Vergoeding van de immateriële schade (overschrijding van de redelijke termijn)
12. Eiseres heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn.
12.1.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [7]
12.2.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van partijen gedurende de hele procesgang en de aard van het bestreden besluit en het daardoor getroffen belang van betrokkene.
12.3.
De behandeling van zaken als deze mag in beginsel maximaal twee jaar in beslag nemen: een half jaar voor de bezwaarfase bij het bestuursorgaan en anderhalf jaar voor de beroepsfase bij de rechtbank. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelduur rechtvaardigen. Er kunnen zich ook bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding kunnen geven tot een verkorting van de termijnen in verband met het belang dat voor de betrokkene op het spel staat.
12.4.
Eiseres heeft op 24 oktober 2023 een beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag door het college ingediend. Op 1 januari 2024 heeft zij in die beroepsprocedure haar inhoudelijke bezwaren tegen de primaire besluiten van 1 en 6 december 2023 ingediend. Bij uitspraak van 7 maart 2024 heeft de rechtbank overwogen het wenselijk te vinden dat er eerst een bestuurlijke heroverweging (bezwaar) plaatsvindt waarna de rechtbank het van rechtswege ontstane beroep heeft verwezen naar het college voor behandeling als bezwaar. Gelet op het voorgaande merkt de rechtbank 1 januari 2024 aan als de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend. Per die datum is de voor de redelijke termijn te beoordelen periode gaan lopen. Met de uitspraak van heden heeft de behandeling van het bezwaar en beroep gezamenlijk minder dan twee jaar geduurd. Er is daarom geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn, op grond waarvan eiseres recht zou hebben op een schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Tevens dient het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 51 te vergoeden De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb wel aanleiding om het college in de proceskosten van eiseres te veroordelen. De rechtbank stelt deze vergoeding, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), vast op de hoogte van de reiskosten van eiseres voor het bijwonen van de zitting (openbaar vervoer tweede klasse € 13,36 [8] ). Op grond van artikel 1, aanhef en onder d en e, van het Bpb komen de reis- verletkosten van de gemachtigden van eiseres niet voor vergoeding in aanmerking, omdat zij niet als partij aan het beroep hebben deelgenomen en niet in de plaats van eiseres ter zitting zijn verschenen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 13,36;
- bepaalt dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van
€ 51 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer ARN 23/6939 (niet gepubliceerd).
2.Bijvoorbeeld de uitspraken van 8 oktober 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1973) en 7 januari 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:94).
4.Zie de uitspraken van 26 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:318) en 28 april 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1046).
5.Zie de uitspraken van de CRvB van 31 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:4351), 4 maart 2020, (ECLI:NL:CRVB:2020:559) en 3 augustus 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1911).
6.Zie ook de uitspraken van de CRvB van 15 maart 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:660) en 16 september 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1457).
7.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.