Uitspraak
1.Kern van de zaak
2.De procedure
- de dagvaarding van 22 januari 2025, met een incidenteel verzoek ;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
3.De feiten
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
- een kopie van de overeenkomst van 6 april 2000 met contractnummer 21684250, voorzien van de tekst:
“Adviseur ATP00925-De Financiële Kamer B.V.”.- een kopie van een visitekaartje, voorzien van het logo van de tussenpersoon, waarop vermeld staat:
“ [naam 1] , Financieel Planner (…)”,-een brief van 3 november 1999 gericht aan een onbekende persoon in Amstelveen, voorzien van het logo van de tussenpersoon, betreffende een afspraakbevestiging, waarin te lezen is:
‘(…)Naar aanleiding van het prettige telefoongesprek dat u onlangs (…) heeft gevoerd, bevestigen wij hierbij de gemaakte afspraak. U zult op maandag 8 november om 19.00 uur worden bezocht door [naam 2] van De Financiële Kamer. (…) Om een gedegen advies aan u te kunnen verstrekken verzoeken wij u de navolgende bescheiden bij de hand te hebben:- Uw reeds lopende levensverzekeringen- Uw huidige regelingen op pensioengebied;- Uw meest recente loonstrook. (…)’,
- een weergave van de website van de Financiële kamer van 9 oktober 2000.
- dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
- dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
- dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
- dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
€ 9.316,45. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.
€ 135,00