Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1783

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11864081 \ CV EXPL 25-2458
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige advisering effectenleaseovereenkomst door Dexia via niet-vergunde tussenpersoon

In deze civiele bodemzaak vordert eiser vergoeding van schade geleden door een effectenleaseovereenkomst die via een tussenpersoon zonder vergunning tot stand kwam. Eiser sloot de overeenkomst met Dexia, waarbij hij geld leende om aandelen te kopen, maar leed verlies door waardedaling. De kern van het geschil is of Dexia aansprakelijk is voor onrechtmatige advisering door de tussenpersoon.

De rechtbank stelt vast dat de tussenpersoon Spaar Select B.V. zonder vergunning persoonlijk beleggingsadvies gaf, wat volgens de Hoge Raad verboden is. Dexia had hiervan moeten weten vanwege de nauwe samenwerking. Eiser heeft voldoende concreet gesteld dat hij persoonlijk en onjuist is geadviseerd, en Dexia heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Hierdoor wordt de stelling van vergunningplichtige advisering als vaststaand aangenomen.

De rechtbank oordeelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomst aan te gaan terwijl zij op de hoogte had moeten zijn van het onrechtmatige advies. De schade van eiser, bestaande uit betaalde inleg minus genoten voordelen, wordt volledig aan Dexia toegerekend. De vorderingen van eiser worden toegewezen, waaronder vergoeding van €8.502,86 plus wettelijke rente en proceskosten. De incidentele verzoeken worden deels afgewezen, en de vorderingen van Dexia worden verworpen.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding van €8.502,86 plus wettelijke rente en proceskosten wegens onrechtmatige advisering via niet-vergunde tussenpersoon.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11864081CV EXPL 25-2458
vonnis van de kantonrechter van 27 februari 2026
in de zaak van

1.[naam eiser in conventie in hoofdzaak / verzoeker in incident / verweerder in reconventie in hoofdzaak & incident 1] ,

2.
[naam eiser in conventie in hoofdzaak / verzoeker in incident / verweerder in reconventie in hoofdzaak & incident 2]
beide wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het voorwaardelijke incident,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het voorwaardelijke incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en verwerende partij in het voorwaardelijke incident,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het voorwaardelijke incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [eisers in conventie in hoofdzaak] en Dexia genoemd.

1.Kern van de zaak

1.1.
[eisers in conventie in hoofdzaak] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. [eisers in conventie in hoofdzaak] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eisers in conventie in hoofdzaak] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [eisers in conventie in hoofdzaak] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eisers in conventie in hoofdzaak] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eisers in conventie in hoofdzaak] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eisers in conventie in hoofdzaak] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 27 augustus 2025, met een incidenteel verzoek ;
  • de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.3. De feiten

3.1.
[eisers in conventie in hoofdzaak] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[contractnummer 1]
11-3-2002
Security Plus Effect
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
8-3-2007
0,00
n.v.t.
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [eisers in conventie in hoofdzaak] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 9.571,20 aan maandtermijnen betaald. Volgens die opgave heeft [eisers in conventie in hoofdzaak] € 508,25 aan dividenden ontvangen en € 560,09 aan fiscaal voordeel genoten. Bij het einde van de overeenkomst heeft Dexia de onderliggende effecten aan [eisers in conventie in hoofdzaak] uitgeleverd en heeft [eisers in conventie in hoofdzaak] € 4.643,49 aan Dexia aan restant hoofdsom betaald.
3.4.
De gemachtigde van [eisers in conventie in hoofdzaak] , Leaseproces, heeft bij brief van 27 augustus 2007 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en de verzoeken in de incidenten in conventie en in reconventie
4.1.
[eisers in conventie in hoofdzaak] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident voorwaardelijk:
 Dexia zal veroordelen het aanvraagformulier en haar versie van de ondertekende overeenkomst aan [eisers in conventie in hoofdzaak] te verstrekken,
- in de hoofdzaak
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers in conventie in hoofdzaak] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 voor recht zal verklaren dat [eisers in conventie in hoofdzaak] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eisers in conventie in hoofdzaak] van al datgene dat [eisers in conventie in hoofdzaak] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eisers in conventie in hoofdzaak] , met rente,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident voorwaardelijk:
 [eisers in conventie in hoofdzaak] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eisers in conventie in hoofdzaak] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [eisers in conventie in hoofdzaak] verschuldigd is,
 [eisers in conventie in hoofdzaak] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en de verzoeken in de incidentenalgemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eisers in conventie in hoofdzaak] .
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[eisers in conventie in hoofdzaak] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eisers in conventie in hoofdzaak] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
5.5.
[eisers in conventie in hoofdzaak] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Spaar Select B.V. (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eisers in conventie in hoofdzaak] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eisers in conventie in hoofdzaak] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eisers in conventie in hoofdzaak] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eisers in conventie in hoofdzaak] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eisers in conventie in hoofdzaak] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.7.
[eisers in conventie in hoofdzaak] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[eisers in conventie in hoofdzaak] werd door Spaar Select benaderd. De medewerker van Spaar Select stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eisers in conventie in hoofdzaak] door te nemen met een financieel adviseur van Spaar Select. [eisers in conventie in hoofdzaak] heeft hiermee ingestemd. Vervolgens hebben twee huisbezoeken plaatsgevonden met dezelfde adviseur van Spaar Select, te weten de heer [adviseur] (hierna te noemen: ‘adviseur). Na het eerste huisbezoek heeft de adviseur een visitekaartje achtergelaten. Dit visitekaartje wordt overgelegd als productie C. Bij beide bezoeken waren [eiser 1] en [eiser 2] aanwezig. Tijdens het eerste huisbezoek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eisers in conventie in hoofdzaak] Zo is met de adviseur gesproken over het inkomen, spaargeld en pensioenplannen van [eisers in conventie in hoofdzaak] In het bijzonder kwam daarbij ter sprake dat [eiser 1] onlangs een mooi bedrag had ontvangen uit de nalatenschap van zijn oom. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de toekomstplannen van [eisers in conventie in hoofdzaak] gaf aan vermogen te willen op te bouwen als appeltje voor de dorst en in het bijzonder om na hun pensioen een wereldreis te maken. Daarbij aangegeven dat zij nog circa vijf à zes jaar hadden tot de pensioenleeftijd en dat zij het geld dat zij wilden inleggen zonder risico’s wilden laten renderen. Daarbij werd expliciet aangegeven dat [eisers in conventie in hoofdzaak] nog circa vijf à zes hadden tot de pensioenleeftijd en dat zij - indien zij geld zouden inleggen - dit zonder risico’s wilden laten renderen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist.
De adviseur adviseerde [eisers in conventie in hoofdzaak] om een Security Plus Effect product van Bank Labouchere af te sluiten. Meer concreet adviseerde de adviseur [eisers in conventie in hoofdzaak] om een Security Plus Effect overeenkomst af te sluiten met een inleg van ongeveer € 9.500,-. [eisers in conventie in hoofdzaak] diende de vooruitbetaling te voldoen vanuit het spaargeld (lees: erfenis). Volgens de adviseur zou [eisers in conventie in hoofdzaak] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, zonder risico te lopen met dit product. Hierdoor zou [eisers in conventie in hoofdzaak] de gewenste voorziening kunnen treffen om bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een mooie wereldreis te maken en tevens vermogen op te bouwen als appeltje voor de dorst.
De adviseur heeft [eisers in conventie in hoofdzaak] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg geheel verloren kon gaan. Als [eisers in conventie in hoofdzaak] op deze risico’s gewezen was had hij de Security Plus Effect overeenkomst nooit afgesloten.
[eisers in conventie in hoofdzaak] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en
vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eisers in conventie in hoofdzaak] het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor het Securtiy
Plus Effect is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is bij een
tweede huisbezoek door de adviseur langsgebracht en ter plaatse ondertekend. De adviseur
heeft voor retournering zorggedragen. Uiteindelijk heeft [eisers in conventie in hoofdzaak] een Security Plus Effect
overeenkomst van Bank Labouchere afgesloten met een vooruitbetaalde inleg van € 9.571,20.
Het opvolgen van het advies heeft voor [eisers in conventie in hoofdzaak] desastreus uitgepakt. In plaats van het
voorgespiegelde vermogen dat zou worden opgebouwd, is [eisers in conventie in hoofdzaak] de betaalde inleg vrijwel geheel kwijtgeraakt.
5.8. [eisers in conventie in hoofdzaak] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 11 maart 2022 met contractnummer [contractnummer 1] , voorzien van de tekst:
“Adviseur ATP00298 – Spaar Select B.V.”.- een kopie van een visitekaartje, voorzien van het logo van de tussenpersoon, waarop vermeld staat:
“ [adviseur] , accountmanager.”
aanhoudingsverzoek
5.9.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.10.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.11.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.12.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eisers in conventie in hoofdzaak] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] [5] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eisers in conventie in hoofdzaak] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eisers in conventie in hoofdzaak] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eisers in conventie in hoofdzaak] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eisers in conventie in hoofdzaak] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eisers in conventie in hoofdzaak] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eisers in conventie in hoofdzaak] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.13.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Spaar Select aan [eisers in conventie in hoofdzaak] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Zij was er door haar nauwe samenwerking met Spaar Select bij de verkoop van haar producten namelijk mee bekend dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die zij als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. Dit is een voldoende onderbouwing van de stelling van [eisers in conventie in hoofdzaak] dat Dexia ook in zijn geval bekend behoorde te zijn met de advisering van hem/haar door Spaar Select. [6] Dexia heeft hiertegenover slechts gesteld dat zij niet kan weten hoe het in dit concrete geval is gegaan. Deze betwisting door Dexia is onvoldoende om de conclusie dat zij dit wel had behoren te weten te ondergraven. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eisers in conventie in hoofdzaak] voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia5.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eisers in conventie in hoofdzaak] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [eisers in conventie in hoofdzaak] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eisers in conventie in hoofdzaak] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [7] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eisers in conventie in hoofdzaak]5.15. De door [eisers in conventie in hoofdzaak] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers in conventie in hoofdzaak] heeft gehandeld door [eisers in conventie in hoofdzaak] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisers in conventie in hoofdzaak] niet alleen als klant aanbracht maar [eisers in conventie in hoofdzaak] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.16.
De als gevolg hiervan door [eisers in conventie in hoofdzaak] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen). Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eisers in conventie in hoofdzaak] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). [eisers in conventie in hoofdzaak] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 8.502,86. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.
5.17.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.18.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eisers in conventie in hoofdzaak] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
de incidentele voorwaardelijke vordering
5.19.
[eisers in conventie in hoofdzaak] vordert Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier en de bij Dexia in bezit zijnde ondertekende overeenkomst. Uit het voorgaande volgt dat [eisers in conventie in hoofdzaak] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat de vordering zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
de incidentele vordering van Dexia
5.20.
Dexia vordert dat [eisers in conventie in hoofdzaak] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.21.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eisers in conventie in hoofdzaak] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.22.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eisers in conventie in hoofdzaak] worden begroot op € 87,00.
vorderingen Dexia
5.23.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.24.
Omdat [eisers in conventie in hoofdzaak] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eisers in conventie in hoofdzaak] gevallen. De proceskosten van [eisers in conventie in hoofdzaak] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 954,47
5.25.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
5.26.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.
6. De beslissing
De kantonrechter
in het incident van [eisers in conventie in hoofdzaak]
6.1.
wijst de vordering,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in het incident van Dexia
6.3.
wijst de vordering af,
6.4.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eisers in conventie in hoofdzaak] , tot op heden begroot op € 87,00,
in conventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers in conventie in hoofdzaak] heeft gehandeld door [eisers in conventie in hoofdzaak] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisers in conventie in hoofdzaak] niet alleen als klant aanbracht maar [eisers in conventie in hoofdzaak] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.6.
verklaart voor recht dat [eisers in conventie in hoofdzaak] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.7.
veroordeelt Dexia om aan [eisers in conventie in hoofdzaak] te betalen een bedrag van € 8.502,86, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.16.,
6.8.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.9.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.10.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.12.
wijst de vorderingen af,
6.13.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisers in conventie in hoofdzaak] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
27 februari 2026.
68348 560

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
7.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.