Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3056

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
ARN 25_2458
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArtikel 14 bestemmingsplanAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na intrekking last onder dwangsom

Eiser was het niet eens met een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet vanwege onrechtmatige bewoning van een bedrijfswoning. Na een bezwaarprocedure en beroep is de last onder dwangsom ingetrokken omdat eiser inmiddels is verhuisd en de situatie is opgeheven.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen procesbelang meer heeft omdat hij met het beroep geen feitelijke betekenis kan bereiken. Het enige mogelijke belang zou een schadevergoeding zijn, maar eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden als gevolg van de last onder dwangsom.

De rechtbank weegt mee dat verhuiskosten zijn vergoed via bijzondere bijstand, dat kosten voor opslag en omgevingsvergunning niet direct gevolg zijn van het besluit, en dat immateriële schade niet is onderbouwd. Ook de kosten van de beroepsprocedure leiden niet tot inhoudelijke beoordeling.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wijst zij de vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De intrekking van de last onder dwangsom is op andere gronden dan door eiser aangevoerd, zodat het college niet aan eiser tegemoet is gekomen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na intrekking van de last onder dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2458

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. W. Sallé),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet

(gemachtigde: mr. J. Bloemert).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij] B.V.uit [plaats].

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ingetrokken last onder dwangsom over bewoning van de bedrijfswoning aan de [locatie] in [plaats]. Eiser is het niet eens met het opleggen van de last onder dwangsom. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de ingetrokken last onder dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft omdat de last onder dwangsom inmiddels is ingetrokken en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden als gevolg van de besluitvorming. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 wordt de achtergrond geschetst. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op vraag of eiser procesbelang heeft. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Bij besluit van 20 september 2024 is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd vanwege bewoning van de bedrijfswoning aan de [locatie] in [plaats] in strijd met het omgevingsplan. [1] Eiser moet binnen zes maanden na dagtekening van het besluit de onrechtmatige bewoning beëindigen en beëindigd houden, onder dwangsom van € 5.000 per maand met een maximum van € 20.000.
2.1.
Bij besluit van 20 december 2024 heeft het college de begunstigingstermijn van de last verlengd tot uiterlijk 20 juli 2025.
2.2.
Bij beslissing van 28 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college de last onder dwangsom en de verlengde begunstigingstermijn in stand gelaten.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.4.
Bij besluit van 11 juli 2025 heeft het college de last onder dwangsom ingetrokken.
2.5.
Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.
2.6.
Het college heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiser zijn gemachtigde en zijn vader, [persoon A], namens de derde-partij [persoon B], [persoon C] en [persoon D] en namens het college de gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiser is in juni 2022 bij zijn broer in de bedrijfswoning gaan wonen. Zijn broer is in januari 2023 verhuisd en eiser is in de bedrijfswoning blijven wonen. In 2023 heeft de derde-partij de huur van eiser opgezegd. In september 2023 is eiser op een wachtlijst voor een pauzewoning geplaatst. Op 12 juli 2024 heeft eiser met zijn vader en een begeleidster een gesprek gevoerd met het college. Er is een woning aangeboden die eiser niet heeft geaccepteerd. Vervolgens heeft de derde-partij op 15 juli 2024 een verzoek om handhaving ingediend vanwege onrechtmatige bewoning van de bedrijfswoning. Aan eiser is uiteindelijk een last onder dwangsom opgelegd. Vervolgens heeft eiser met hulp van het college een andere woning betrokken, en heeft op 1 juli 2025 de verhuizing doorgegeven aan de Basisregistratie personen van de gemeente. Omdat daarmee de strijdige situatie is opgeheven, heeft het college de last onder dwangsom op 11 juli 2025 ingetrokken.
Heeft eiser procesbelang?
4. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit belang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. [2] Bij een last onder dwangsom leidt het enkele voldoen aan de last er niet toe dat geen sprake meer is van procesbelang. Dat zou immers tot het ongewenste gevolg zou leiden dat de rechtmatigheid van een besluit waarbij aan iemand een last onder dwangsom is opgelegd, niet meer kan worden beoordeeld als is voldaan aan de last. [3] Wanneer de last nadien is ingetrokken, zoals in dit geval, is wel van belang of belanghebbende nog feitelijk iets met zijn beroep kan bereiken. Dat geldt in deze zaak met name nu eiser is verhuisd en de bedrijfswoning niet meer huurt. Als zou blijken dat de last onterecht is opgelegd, heeft dit voor eiser geen feitelijke betekenis voor de toekomst omdat hij niet terug kan keren naar de bedrijfswoning. Het enige dat hij kan bereiken met een inhoudelijk gegrond beroep tegen de last is daarom eventueel een recht op schadevergoeding. Daarom is voor het aannemen van procesbelang in deze zaak vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat er schade is en dat de gestelde schade daadwerkelijk en als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden. [4]
4.1.
Eiser betoogt dat hij nog steeds procesbelang heeft ondanks zijn verhuizing en de intrekking van de last onder dwangsom. Hij wil een oordeel over de rechtmatigheid van de besluitvorming om schade op grond van onrechtmatige daad te kunnen vorderen bij de burgerlijke rechter. Er is sprake geweest van onaangekondigd binnentreden in de woning waardoor zijn privacy is geschonden. Verder heeft eiser materiële schade zoals verhuiskosten en kosten voor de procedure zoals de eigen bijdrage en het griffierecht. Hij heeft ook nota’s overgelegd van de huur van een opslagbox, leges van een omgevingsvergunning en een huurovereenkomst van de recreatiewoning waar hij nu tijdelijk woont.
4.2.
De rechtbank oordeelt dat eiser met het beroep niet kan bereiken wat voor hem van feitelijke betekenis is. De aan hem opgelegde last onder dwangsom is namelijk ingetrokken omdat hij inmiddels heeft voldaan aan de last. Dat eiser van mening is dat het college niet op een juiste manier tot zijn besluitvorming is gekomen is een belang van principiële aard en dat levert volgens vaste rechtspraak geen rechtens te respecteren belang op. [5]
4.3.
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij vanwege schade alsnog procesbelang heeft, overweegt de rechtbank als volgt. Het moet wel tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit. [6] Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij door de last onder dwangsom schade heeft geleden. Hierna licht de rechtbank dat toe.
4.4.
Voor de verhuiskosten die eiser heeft moeten maken, heeft hij een vergoeding via bijzondere bijstand ontvangen, zoals door het college is aangetoond. Niet is gebleken dat die vergoeding onvoldoende is om aan zijn verhuiskosten tegemoet te komen.
4.5.
Wat betreft de kosten voor de huur van de opslagbox valt niet in te zien dat deze schade het gevolg is van de last onder dwangsom. Daarvoor is van belang dat eiser voorheen een kamer huurde aan de [locatie] in [plaats] en nu is verhuisd naar een recreatiewoning. Zijn betoog dat hij in feite in de hele woning in [plaats] spullen had staan en dat deze spullen niet mee konden worden verhuisd en daarom opgeslagen zijn, is niet onderbouwd en wordt weersproken door de derde-partij. Deze schade acht de rechtbank daarom niet aannemelijk.
4.6.
Ook de kosten voor een omgevingsvergunning voor de tijdelijke bewoning van de recreatiewoning en het maandelijkse verschil van € 300 in de hoogte van de huur en € 125 aan maandelijkse servicekosten zijn geen direct gevolg van de bestuurlijke besluitvorming. Zoals toegelicht door het college heeft eiser namelijk zelf gekozen voor de verhuizing naar specifiek deze woning met deze bijbehorende kosten. Zo is hem eerder de mogelijkheid van andere woningen geboden. Voor zover eiser heeft gewezen op immateriële schade is er geen (begin van een) onderbouwing overgelegd.
4.7.
Wat betreft de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding vormt om tot een inhoudelijke beoordeling van een beroep over te gaan. [7] Artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht stelt niet de eis dat de partij die in de proceskosten wordt veroordeeld in het ongelijk is gesteld. Als afgezien van de vraag of aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling er geen belang meer bestaat bij een beoordeling van de zaak, moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.8.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden die het gevolg is van de bestuurlijke besluitvorming en dat ook daarom van procesbelang geen sprake is. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Proceskosten
5. Een niet-ontvankelijkverklaring vanwege het ontbreken van procesbelang staat er niet aan in de weg dat wel kan worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. [8] Daarvoor kan reden zijn als het college aan eiser is tegemoetgekomen. Van tegemoetkomen is geen sprake als het besluit kennelijk is ingetrokken op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd.
5.1.
Het besluit is ingetrokken omdat eiser verhuisd is en daarmee het met het besluit beoogde effect is bereikt. Daarom moet worden geconcludeerd dat het besluit is ingetrokken op andere gronden dan eiser heeft aangevoerd. Het college is daarom niet aan eiser tegemoetgekomen in de hiervoor bedoelde zin. Het college hoeft daarom geen proceskosten te vergoeden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat eiser geen procesbelang meer heeft. De rechtbank beoordeelt de ingetrokken last onder dwangsom dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van het griffierecht. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Overtreding van artikel 14 het Pro bestemmingsplan “Vierhouten en Hulshorst” dat van rechtswege onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet.
2.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3415.
3.Uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR4294.
4.Uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:593. Vergelijk ook de uitspraak van 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3393.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1581 onder 6 met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7768 onder 2.4.2.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:106 onder 6.1.
7.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA1703.
8.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4553.