ECLI:NL:RBLIM:2026:4259

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ROE 23/615 en ROE 24/4211
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 23 AVGArt. 41 Uitvoeringswet AVGArt. 8:42 AwbArt. 7:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroepen inzage persoonsgegevens FSV en schadevergoeding overschrijding redelijke termijn

Eiseres verzocht inzage in haar persoonsgegevens die zijn opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) en schadevergoeding voor de registratie daarin. De minister verstrekte gedeeltelijk inzage en wees het schadevergoedingsverzoek af. Eiseres maakte bezwaar tegen deze besluiten, waarna de rechtbank de beroepen behandelde.

De rechtbank oordeelde dat eiseres geen recht heeft op inzage in alle stukken, zoals screenprints van haar registratie, omdat de AVG alleen recht geeft op een kopie van persoonsgegevens en niet op integrale bestuursstukken. De rechtbank vond de motivering van de minister voor het weigeren van inzage in bepaalde persoonsgegevens voldoende en kon de juistheid daarvan niet beoordelen vanwege het ontbreken van toestemming van eiseres.

Verder concludeerde de rechtbank dat de minister geen persoonsgegevens van eiseres met derden heeft gedeeld en dat het bezwaar tegen het schadevergoedingsverzoek terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat alleen de civiele rechter hierover kan oordelen. Wel werd een schadevergoeding van € 2.000,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn door minister en rechtbank. Andere verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen.

Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard, inzage wordt beperkt gehouden en een schadevergoeding van € 2.000,- wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 23/615 en ROE 24/4211

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen

[eiseres] uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire),
en

de minister van Financiën,

(gemachtigden: mr. M.A.N. van de Kerkhoff, mr. M.M.J. Hoek).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres [1] tegen de besluiten van (inmiddels) [2] de minister van 17 februari 2023 en 17 september 2024 (de bestreden besluiten). Met het eerste besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is de minister bij zijn besluit op het inzageverzoek van eiseres van
6 april 2022 gebleven. Met het tweede besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen zijn besluit op het verzoek om schadevergoeding van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank beslist in deze uitspraak ook op het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn waarin de rechtbank een uitspraak moet doen (in ROE 23/615) en op de verzoeken om vergoeding van vertragingsschade.
1.1
De rechtbank heeft de beroepen en verzoeken op 23 februari 2026 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft deze zaken samen behandeld met de zaken met zaaknummers: ROE/22/2755, ROE/23/1496, ROE 23/1593 en ROE 23/1594. De rechtbank doet in de zaken van de andere eiser/eiseressen afzonderlijk uitspraak en in deze uitspraak dus alleen uitspraak op de beroepen en verzoeken van eiseres.
2. De rechtbank heeft het onderzoek in de zaak ROE 23/615 kort na de zitting heropend. De rechtbank heeft partijen meegedeeld dat zij het gerechtvaardigd vindt dat alleen zij kennis neemt van de persoonsgegevens waarvan de minister eiseres inzage heeft geweigerd. De reden daarvoor is dat inzage van deze persoonsgegevens door eiseres en/of haar gemachtigde de beoordeling van de geweigerde inzage zinledig zou maken. De rechtbank heeft eiseres gevraagd of zij toestemming geeft om die persoonsgegevens in te zien. De rechtbank heeft die toestemming niet gekregen. De rechtbank heeft die persoonsgegevens daarom niet bij de minister opgevraagd. Partijen wilden over het geven van toestemming niet meer worden gehoord. [3] Omdat het onderzoek alleen is heropend om de genoemde procesbeslissing te geven en om te weten of de rechtbank de geweigerde persoonsgegevens mag inzien, heeft de rechtbank het onderzoek daarna gesloten.
3. Na de sluiting van het onderzoek in de zaak met zaaknummer ROE 23/615 heeft eiseres de rechtbank verzocht het onderzoek in beide zaken te heropenen. Reden daarvoor is dat onlangs bekend is geworden dat een zogenoemde datakluis is gevonden die onder andere wordt doorzocht op het dossier FSV (Fraude Signalering Voorziening).
De rechtbank heeft in het verzoek geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en wijst het verzoek af. Wat eiseres aanvoert geeft geen reden te oordelen dat het onderzoek in deze zaken niet volledig zijn geweest. Dit alleen al omdat het aantreffen van die datakluis en wat daar uit zou kunnen komen niet tot een andere uitkomst van deze zaken kan leiden gelet op de vragen die in deze zaken voorliggen.
4. Voor deze uitspraak heeft de rechtbank de zaken van eiseres gevoegd.

Beoordeling door de rechtbank

De beroepszaken
Wat ging aan het instellen van de beroepen vooraf?
5. Eiseres heeft de Belastingdienst om inzage gevraagd van haar registratie in de FSV en om schadevergoeding voor de schade die zij stelt te hebben geleden door haar registratie in de FSV. De minister heeft het inzageverzoek opgevat als een verzoek om inzage van persoonsgegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en het verzoek deels toegewezen. De minister heeft aan eiseres een overzicht verstrekt met een deel van haar persoonsgegevens die in de FSV zijn opgenomen. Van de persoonsgegevens in de FSV waarvan de minister eiseres geen inzage heeft gegeven heeft de minister inzage geweigerd op de uitzonderingsgrond in artikel 23 van Pro de AVG en artikel 41 van Pro de Uitvoeringswet AVG. Op basis van beschikbare informatie heeft de minister aangegeven dat geen persoonsgegevens van eiseres die in de FSV zijn opgenomen met derden zijn gedeeld. De minister heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen beide besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met de bestreden besluiten heeft de inspecteur van de Belastingdienst dan wel de minister op de bezwaren beslist zoals aangegeven onder 1.
bevoegdheidsgebrek
6. Het door de inspecteur van de Belastingdienst genomen bestreden besluit is onbevoegd genomen. De minister heeft dit besluit met het verweerschrift en op de zitting voor zijn rekening genomen waardoor het bevoegdheidsgebrek is hersteld. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Niet aannemelijk is dat eiseres wordt benadeeld door de instandlating van dit bestreden besluit.
Wat voert eiser in de beroepszaken aan en slaagt dit?
ROE 23/615 (inzageverzoek)
Bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde
7. Eiseres voert in deze zaak aan dat de bekendmaking van het bestreden besluit in strijd is met artikel 2:1 van Pro de Awb en dat dit tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden.
8. De rechtbank heeft gezien dat de minister het bestreden besluit aan eiseres zelf bekend heeft gemaakt in plaats van aan haar gemachtigde. De rechtbank heeft ook gezien dat eiseres tijdig beroep heeft ingesteld. Eiseres is door de bekendmaking van het bestreden besluit aan haarzelf in plaats van aan haar gemachtigde daarom niet benadeeld. Het tast het bestreden besluit, waarmee de minister is gebleven bij de gedeeltelijke toewijzing van het inzageverzoek, ook niet aan. Daarom ziet de rechtbank in wat eiseres aanvoert geen reden het bestreden besluit te vernietigen. Wat eiseres aanvoert slaagt dus niet.
De stukken
9. Eiseres voert ook aan dat zij het er niet mee eens is dat de minister niet alle stukken aan haar verstrekt. Het gaat eiseres om de screenprints van haar registratie in de FSV (de screenprints). Eiseres stelt dat zij de screenprints nodig heeft om te kunnen controleren wat de minister beweert.
9.1
Eiseres wijst op de toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën Van Rij dat het uitgangspunt is mensen zo veel mogelijk inzage te geven in hun registratie in de FSV en dat mensen daar recht op hebben op grond van de AVG. Eiseres vindt dat zij in elk geval op grond van de artikelen 8:42 en 7:4 van de Awb recht heeft op de screenprints. Daarbij wijst zij op het arrest van de Hoge Raad (HR) van 4 mei 2018 [4] . Zij verwijst verder nog naar verschillende algemene stukken/publicaties. Dit om te onderbouwen dat de minister een onjuist standpunt inneemt met betrekking tot de stukken die op de zaak betrekking hebben en/of dat niet zomaar kan worden uitgegaan van wat de minister stelt.
10. Uit artikel 15 van Pro de AVG en vaste rechtspraak [5] over het recht op een kopie van persoonsgegevens blijkt het volgende.
Artikel 15 van Pro de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke duidelijkheid te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te krijgen van die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van Pro de AVG is de betrokkene de mogelijkheid te geven zich van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens op de hoogte te stellen en om de juistheid van de persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren.
10.1
Een verwerkingsverantwoordelijke is op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG verplicht aan de betrokkene een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens van de betrokkene die onder zijn verantwoordelijkheid worden verwerkt. Deze verplichting houdt niet in dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een kopie te verstrekken van de stukken waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een verwerkingsverantwoordelijke mag deze stukken verstrekken, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, zoals een overzicht van de persoonsgegevens. Als met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15 van Pro de AVG wordt voldaan.
10.2
Soms is het nodig dat informatie in een bepaalde context wordt geplaatst om de informatie te kunnen begrijpen. Dat kan met zich meebrengen dat de verwerkingsverantwoordelijke dan niet met een overzicht kan volstaan en de stukken moet verstrekken waarin de persoonsgegevens staan maar dan wel alleen voor zover dat nodig is om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten op grond van artikel 15 van Pro de AVG uit te kunnen oefenen. Een recht op inzage van persoonsgegevens is iets anders dan een recht op toegang tot bestuurlijke stukken. Artikel 15 van Pro de AVG is niet bedoeld om toegang tot bestuurlijke stukken te verzekeren.
11. Op grond van (artikel 15 van Pro) de AVG en gelet op de vaste rechtspraak over het recht op een kopie van persoonsgegevens heeft eiseres dus geen recht op een kopie van integrale stukken. De toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën Van Rij die eiseres heeft aangehaald is gebaseerd op de AVG. Omdat de AVG geen recht geeft op integrale stukken is deze toezegging ook niet te lezen als een toezegging dat de minister inzage geeft door (niet gelakte) screenprints van een registratie in de FSV te verstrekken.
12. In het door eiseres aangehaalde arrest van de HR van 4 mei 2018 heeft de HR een aanvulling gegeven op de eerder in het arrest van 10 april 2015 [6] gegeven uitgangspunten voor wat moet worden verstaan onder de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Awb. In algemene zin heeft de HR overwogen dat alle stukken die een bestuursorgaan heeft gebruikt bij zijn besluitvorming in beginsel tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren en moeten worden overgelegd. De HR heeft specifiek overwogen dat ook elektronisch vastgelegde gegevens moeten worden aangemerkt als stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Voor gegevens in databases geldt dat zij slechts op de zaak betrekking hebben voor zover zij van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op de aan de orde zijnde zaak. Deze gegevens vormen het op de zaak betrekking hebbende ‘stuk’, dat in de vorm van een afdruk of op een andere geschikte wijze ter beschikking moet worden gesteld. Een bestuursorgaan is op grond van artikel 8:42, eerste lid van de Awb niet verplicht om buiten de reeds ter beschikking staande of gestaan hebbende stukken nadere gegevens te vergaren.
13. Eiseres stelt dat de minister screenprints kan verstrekken. De rechtbank weet ambtshalve dat de minister deze mogelijkheid heeft. De registratie van eiseres in de FSV is naar het oordeel van de rechtbank daarom een verzameling van elektronische gegevens die raadpleegbaar kunnen worden gemaakt. De vraag is of de screenprints van belang zijn voor de beoordeling van deze zaken. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten aan de hand van wat eiseres daartegen aanvoert. Om deze beoordeling te kunnen maken heeft de rechtbank de screenprints van de registratie van eiseres in de FSV niet nodig.
13. Op grond van de uitgangspunten van de HR zijn de screenprints geen stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitgangspunten van de HR niet te volgen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 25 februari 2026 [7] nog in lijn met die uitgangspunten geoordeeld.
15. Omdat de screenprints geen stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Awb
zijn het, gelet op de samenhang tussen artikel 8:42 van Pro de Awb en artikel 7:4 van Pro de Awb, ook geen stukken waarvan eiseres in de bezwaarschriftprocedure op grond van artikel
7:4 van de Awb al inzage of een afschrift had moeten krijgen.
16. De hiervoor besproken bepalingen geven eiseres dus geen recht op de screenprints. Dit betekent dat de minister niet verplicht is de screenprints aan eiseres te verstrekken. Dat eiseres de screenprints om haar moverende redenen wil hebben en wat in de algemene stukken/publicaties staat waarnaar eiseres verwijst maken dat niet anders. De standpunten van de minister dat screenprints van de registratie van eiseres in de FSV geen stukken zijn die op de zaak betrekking hebben en dat hij de screenprints niet aan eiseres hoeft te verstrekken zijn dan ook juist. Wat eiseres aanvoert slaagt dus niet.
De persoonsgegevens waarvan inzage is geweigerd
17. Eiseres voert verder aan dat de motivering van de geweigerde inzage heel vaag is en niet op juistheid te controleren is. Eiseres vindt niet aannemelijk gemaakt dat de minister aan de uitzonderingsgrond toepassing kon geven.
18. De minister heeft inzage van een aantal persoonsgegevens geweigerd op de uitzonderingsgrond in artikel 23 van Pro de AVG en artikel 41 van Pro de Uitvoeringswet AVG. De minister heeft in het bestreden besluit toegelicht dat het recht op inzage onder andere kan worden beperkt als het noodzakelijk is om de toezichts- en opsporingstaak van de overheid en/of de privacy van anderen te beschermen. De minister heeft eiseres geen inzage van persoonsgegevens gegeven ter bescherming van de privacy van de indieners van gegevens die in de FSV zijn opgenomen en ter bescherming van de belangen van de overheid in het kader van genoemde taken. De minister heeft daarmee voldoende gemotiveerd waarom hij eiseres in een deel van haar persoonsgegevens die in de FSV zijn opgenomen geen inzage geeft.
18.1
Omdat het klopt dat op grond hiervan de juistheid van de geweigerde inzage niet te controleren is en dus alleen op grond hiervan niet kan worden beoordeeld of de minister toepassing aan deze uitzonderingsgrond heeft mogen geven, heeft de rechtbank op de zitting met partijen besproken dat zij de geweigerde inzage kan beoordelen met kennisneming van de geweigerde persoonsgegevens. De minister was bereid deze persoonsgegevens met een verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Awb aan de rechtbank te overleggen. De rechtbank heeft de beperkte kennisneming als gerechtvaardigd beoordeeld. [8] Omdat de rechtbank van eiseres geen toestemming heeft gekregen om de geweigerde persoonsgegevens in te zien, kan de rechtbank de geweigerde inzage niet beoordelen. Dit komt voor risico van eiseres. De rechtbank ziet op grond van de informatie die zij wel heeft geen reden om aan de juistheid van de beslissing van de minister te twijfelen. Wat eiser aanvoert slaagt dus niet.
Het delen van persoonsgegevens met de gemeente
19. Eiseres voert ook nog aan dat het antwoord van de minister op de vraag of gegevens zijn gedeeld met de gemeente veel te algemeen is. Eiseres vindt de enkele opmerking dat nog eens om een controle op BSN-nummer is gevraagd onvoldoende om ervan uit te kunnen gaan dat eiseres niet op de lijst staat van personen van wie persoonsgegevens in de FSV met andere instanties zijn gedeeld. Eiseres wijst erop dat de Belastingdienst op grote schaal persoonsgegevens in de FSV met andere instanties heeft gedeeld.
20. De minister heeft in het bestreden besluit eerst toegelicht met welke instanties de Belastingdienst op wettelijke basis geautomatiseerd gegevens deelt. De minister heeft daarna aangegeven dat uit de door hem geraadpleegde systemen niet is gebleken dat persoonsgegevens van eiseres op verzoek of spontaan met andere instanties buiten de Belastingdienst zijn gedeeld. Op verzoek van eiseres heeft de minister in de bezwaarfase nog eens op BSN-nummer laten controleren of persoonsgegevens van eiseres in de FSV met andere instanties zijn gedeeld. De minister heeft aangegeven dat eiseres niet op de lijst staat van personen van wie persoonsgegevens in de FSV met andere instanties zijn gedeeld. De rechtbank volgt dan ook niet dat het antwoord van de minister veel te algemeen is.
De rechtbank vindt met de door de minister overgelegde e-mails over de controle op BSN-nummer verder voldoende aannemelijk dat deze controle is verricht en dat eiseres niet op de lijst staat van personen van wie persoonsgegevens in de FSV met andere instanties zijn gedeeld. De enkele omstandigheid dat de Belastingdienst op grote schaal persoonsgegevens in de FSV met andere instanties heeft gedeeld geeft onvoldoende reden om te oordelen dat dit in dit geval toch is gebeurd en dat dus niet kan worden aangenomen dat de controle is verricht en de uitkomst is dat persoonsgegevens van eiseres die in de FSV staan niet met andere instanties zijn gedeeld. Voor zover eiseres dus heeft willen aanvoeren dat het bestreden besluit niet goed gemotiveerd is en de inzage onvolledig is geweest slaagt dit niet.
Dagboek Persoonsgericht Intensief Toezicht (PIT)
21. Eiseres betwist tot slot dat stukken uit Dagboek PIT niet meer kunnen worden verstrekt.
22. Voor zover eiseres ook daarmee heeft willen aanvoeren dat haar inzage onvolledig is geweest slaagt ook dit niet reeds omdat het inzageverzoek uitsluitend ziet op de persoonsgegevens van eiseres die in de FSV zijn opgenomen.
ROE 24/4211 (schadevergoeding registratie FSV)
23. Het bestreden besluit in deze zaak is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb; een besluit op bezwaar. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van
6 mei 1997 [9] (waarnaar de Afdeling in de door de minister aangehaalde uitspraak verwijst) [10] kan de minister daarom niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is op het beroep te beslissen. De rechtbank beslist als volgt.
24. De rechtbank beoordeelt zaken van openbare orde ambtshalve. De ontvankelijkheid van het bezwaar is een zaak van openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024. [11] De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat de bestuursrechtelijke weg in een geval als dit niet openstaat en dat over de gestelde schade alleen een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingediend. De Afdeling heeft uitgebreid toegelicht hoe zij tot dit oordeel komt. De rechtbank ziet daarin reden te volstaan met een verwijzing naar die uitspraak. Dat eiseres de weg naar de civiele rechter niet als een ‘effective remedy’ ziet als bedoeld in artikel
13 van het EVRM geeft geen aanleiding die uitspraak niet te volgen. Wat eiseres in zoverre aanvoert slaagt dan ook niet.
Bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde
25. Eiseres voert in deze zaak aan dat het besluit op het verzoek om schadevergoeding in strijd met artikel 2:1 en Pro artikel 3:40 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bekend is gemaakt.
26. Nu het besluit op het verzoek om schadevergoeding geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb, geldt voor dat besluit ook het procesrecht in de Awb niet. Ervan uitgaande dat eiseres vindt dat dit reden geeft het bestreden besluit te vernietigen, slaagt dit dus niet.
Motiveringsgebrek
27. Eiseres verwijst naar wat zij in bezwaar heeft aangevoerd over dat de minister niet duidelijk heeft gemaakt waarom geen rechtsmiddel tegen de afwijzing van het schadeverzoek kan worden aangewend.
28. In het bestreden besluit heeft de minister aangegeven dat de mogelijkheid van bezwaar in strijd is met de wet. Alhoewel deze motivering summier is, is deze motivering juist gelet op de genoemde uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 en met de herhaling van het bezwaar niet gemotiveerd bestreden. Wat eiseres aanvoert slaagt dus niet.
De verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn en vertragingsschade
ROE 23/615
29. Eiseres verzoekt om vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. Sinds de inwerkingtreding van de verzoekschriftprocedure [12] oordeelt de rechtbank met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure over zo’n verzoek. Als zo’n verzoek wordt gedaan wordt frustratieschade door het lange wachten op de uitkomst van de procedure verondersteld.
30. Vaste rechtspraak is dat zaken binnen een redelijke termijn moeten worden behandeld. In de regel is dat een termijn van twee jaren. [13] De rechtbank gaat in deze zaak ook uit van een redelijke termijn van twee jaren. In vaste rechtspraak wordt verder voor vergoeding van die schade uitgegaan van een schadevergoeding van € 500,- voor een termijnoverschrijding tot zes maanden. [14]
31. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres door de minister op 25 juli 2022 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met ruim anderhalf jaar overschreden. De minister en heeft niet op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist en de rechtbank heeft niet op tijd (binnen anderhalf jaar) op het beroep beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom aan de minister en de rechtbank te wijten. Dit betekent dat eiseres een schadevergoeding toekomt van € 2.000,-. Omdat de termijnoverschrijdingen aan de minister en de rechtbank is te wijten zal de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moeten betalen; de minister een bedrag van afgerond € 70,- en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) een bedrag van afgerond € 1.930,-.
ROE 23/615 en ROE 24/4211
32. Eiseres vraagt in beide zaken ook om een schadeloosstelling in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bedragen. Dit verzoek is niet toewijsbaar. Van vertragingsschade is niet gebleken en ook niet dat de schade zal intreden.

Conclusie en gevolgen

33. De beroepen zijn ongegrond omdat niet slaagt wat eiseres in de beroepszaken aanvoert. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de bestreden besluiten blijven in stand.
Het verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 2.000,-. De andere verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.

Griffierechten en proceskosten

In de beroepszaken
ROE 23/615
34. Omdat de rechtbank in deze zaak het bevoegdheidsgebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb passeert heeft eiseres recht op vergoeding van de proceskosten die zij voor de behandeling van het beroep heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de vergoeding vast op een bedrag van € 1.868,-. De rechtbank telt één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen van de gemachtigde op de zitting. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 1 toe. De rechtbank heeft voor de behandeling van het beroep geen griffierecht geheven. De minister hoeft het griffierecht daarom niet te vergoeden.
ROE 24/2311
35. Eiseres heeft in deze zaak een beroep op betalingsonmacht gedaan. Eiseres voldoet niet aan de criteria voor vrijstelling van de betaling van het griffierecht. Op grond van het door haar overgelegde stuk is haar inkomen gelijk aan en dus niet lager dan het drempelbedrag. De griffier heeft het beroep op betalingsonmacht daarom terecht afgewezen.
36. Eiseres krijgt in deze zaak het betaalde griffierecht niet terug omdat het beroep ongegrond is en er overigens geen aanleiding is te bepalen dat de minister het griffierrecht moet vergoeden. Er is ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Met betrekking tot de verzoeken om schadevergoeding die worden toegewezen

37. Omdat het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen en de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moeten betalen, moeten de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) ook een vergoeding betalen voor de proceskosten die eiseres in verband met het schadevergoedingsverzoek heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht telt de rechtbank één punt voor het indienen van het verzoekschrift. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 0,5 toe. Dit betekent dat de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) elk een bedrag van € 233,50 moeten vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de behandeling van het verzoek op de zitting. Het verzoek is namelijk op de zitting nauwelijks aan de orde gekomen.

Wat overigens nog aan de orde is geweest

ROE 23/61538. Eiseres heeft in deze zaak een brief overgelegd van de Belastingdienst van 29 juli 2023 waarin zij geïnformeerd wordt over de uitkomst van het onderzoek naar de gevolgen die de registratie in de FSV voor haar heeft gehad. In de brief staat dat eiseres niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming. Eiseres ziet deze brief als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Awb en stelt zich op het standpunt dat het beroep ook betrekking heeft op deze brief.
39. De rechtbank ziet dit anders. Het beroep heeft betrekking op het bestreden besluit waarmee de minister bij de gedeeltelijke toewijzing van het inzageverzoek is gebleven. De genoemde brief houdt geen besluit in dat het bestreden besluit intrekt, vervangt of wijzigt. Het beroep heeft daarom geen betrekking op het besluit in die brief. De Afdeling heeft op
18 juni 2025 [15] geoordeeld dat een brief als deze een besluit inhoudt. De rechtbank zal de brief van eiseres waarin zij aangeeft het niet eens te zijn met de brief van de Belastingdienst van 29 juli 2023 aan de minister doorsturen om de brief als bezwaarschrift in behandeling te kunnen nemen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
-veroordeelt de minister tot betaling aan eiseres van een vergoeding voor proceskosten gemaakt in verband met het beroep met zaaknummer ROE 23/615 tot een bedrag van
€ 1.868,-;
- wijst het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn toe tot een bedrag van € 2.000,-; € 70,- te betalen aan eiseres door de minister en €1.930,- te betalen aan eiseres door de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid);
- veroordeelt de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiseres van een vergoeding voor proceskosten gemaakt in verband met het toegewezen verzoek om schadevergoeding elk tot een bedrag van € 233,50;
- wijst de andere verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 mei 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voor een betere leesbaarheid van de uitspraak noemt de rechtbank eiseres in de uitspraak ook als daar zou moeten staan de
2.Zie ro 6.
3.Zie brief van 9 maart 2026.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 2 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:647), de uitspraak van de ABRvS van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:487), de uitspraak van de ABRvS 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5088) en het arrest van het Hof van Justitie van 4 mei 2023 (ECLI:EU:C:2023:369).
8.Zie ro 2.
9.ECLI:NL:RVS:AA6762.
10.De uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2891).
12.Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (de artikelen 8:88 tot en met 8:95 van de Awb).
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3853).
14.Zie bijvoorbeeld de uitspraak genoemd in noot 13.