ECLI:NL:RBLIM:2026:4261

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ROE 22/2328, ROE 24/4072 en ROE 24/4458
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 8:42 AwbArt. 7:4 AwbArt. 1:3 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op inzage persoonsgegevens in Fraude Signalering Voorziening en schadevergoeding

De rechtbank Limburg behandelde op 22 januari 2026 de beroepen van eiseres tegen besluiten van de minister van Financiën over inzage in persoonsgegevens opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) en schadevergoeding voor registratie daarin.

Eiseres vorderde inzage in screenprints van haar FSV-registratie en schadevergoeding wegens de gevolgen van die registratie. De rechtbank oordeelde dat de minister op grond van de AVG slechts verplicht is een overzicht van persoonsgegevens te verstrekken, niet de integrale stukken zoals screenprints. De screenprints zijn geen stukken die op de zaak betrekking hebben volgens artikel 8:42 Awb Pro.

De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen het definitieve schadevergoedingsbesluit, omdat dit uitsluitend bij de civiele rechter kan worden ingesteld. Wel werd een schadevergoeding van € 2.000,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank zelf. Verzoeken om vertragingsschade en overige schadevergoedingen werden afgewezen. De griffierechten werden deels toegewezen en deels geweigerd op basis van betalingsonmacht en procedurele regels.

Uitkomst: De rechtbank wijst de beroepen af, verklaart zich onbevoegd voor het schadevergoedingsberoep en kent een schadevergoeding van € 2.000,- toe wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 22/2328, ROE 24/4072 en ROE 24/4458
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen

[eiseres] uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire),
en

de minister van Financiën

(gemachtigden: mr. M.A.N. van de Kerkhoff, mr. M.M.J. Hoek).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres [1] tegen de besluiten van de minister van 12 september 2022, 16 augustus 2024 en 10 oktober 2024 (de bestreden besluiten). Met het eerste besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is hij bij zijn besluit op het inzageverzoek van eiseres van
4 april 2022 gebleven. Met het tweede besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen zijn voorlopige conclusie op het verzoek om schadevergoeding van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Met het derde besluit heeft de minister het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank beslist in deze uitspraak ook op de verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn waarin de rechtbank een uitspraak moet doen en de verzoeken om vergoeding van vertragingsschade.
1.1
De rechtbank heeft de beroepen en verzoeken op 22 januari 2026 gelijktijdig op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister deelgenomen.
2. Na sluiting van het onderzoek heeft eiseres de rechtbank verzocht het onderzoek te heropenen. Reden hiervoor is dat onlangs bekend is geworden dat een zogenoemde datakluis is gevonden die onder andere wordt doorzocht op het dossier FSV (Fraude Signalering Voorziening).
3. De rechtbank heeft in het verzoek geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en wijst het verzoek af. Wat eiseres aanvoert geeft geen reden te oordelen dat het onderzoek in deze zaak niet volledig is geweest. Dit alleen al omdat het aantreffen van die datakluis en wat daar uit zou kunnen komen niet tot een andere uitkomst van deze zaken kan leiden gelet op de vragen die in deze zaken voorliggen.
4. De rechtbank heeft de zaken voor het doen van deze uitspraak gevoegd.

Beoordeling door de rechtbank

De beroepszaken
Wat ging aan het instellen van de beroepen vooraf?
5. Eiseres heeft de Belastingdienst om inzage gevraagd van haar registratie in de FSV. De minister heeft het verzoek opgevat als een verzoek om inzage van persoonsgegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en het verzoek toegewezen. De minister heeft aan eiseres een overzicht verstrekt van haar persoonsgegevens die de minister in de FSV heeft opgenomen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
6. Eiseres heeft ook om schadevergoeding gevraagd voor de schade die zij stelt te hebben geleden door haar registratie in Dagboek Persoonsgericht Intensief Toezicht (PIT) en in de FSV. De minister heeft op dat verzoek eerst een voorlopige conclusie genomen. Daarna heeft de minister definitief op het verzoek beslist. Tegen de voorlopige conclusie van de minister heeft eiseres bezwaar gemaakt.
7. Met de bestreden besluiten van 12 september 2022 en 16 augustus 2024 heeft de minister op de bezwaren van eiseres beslist zoals aangegeven onder 1. Tegen deze bestreden besluiten en de definitieve afwijzing van het verzoek om schadevergoeding heeft eiseres beroep ingesteld.
Wat voert eiseres in de beroepszaken aan en slaagt dit?
ROE 22/2328 (inzage in de FSV)
8. Eiseres is het er in deze zaak niet mee eens dat de minister niet alle stukken aan haar verstrekt. Het gaat eiseres om de screenprints van haar registratie in de FSV (de screenprints). Eiseres vindt dat de minister de screenprints aan haar moet verstrekken. Eiseres is door de gemeente als fraudeur aangemerkt en heeft problemen gehad met haar uitkering. Zij wil weten hoe dit kon gebeuren en vermoedt dat gegevens die in de FSV zijn opgenomen met de gemeente zijn gedeeld.
8.1
Eiseres wijst op de toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] dat het uitgangspunt is mensen zo veel mogelijk inzage te geven in hun registratie in de FSV en dat mensen daar recht op hebben op grond van de AVG. Eiseres vindt dat zij in elk geval op grond van de artikelen 8:42 en 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) recht heeft op de screenprints. Daarbij wijst zij op het arrest van de Hoge Raad (HR) van 4 mei 2018 [2] . Eiseres vindt ook dat de minister artikel 6 EVRM Pro schendt als de minister haar de screenprints niet verstrekt. Zij verwijst verder nog naar verschillende algemene stukken/publicaties. Dit om te onderbouwen dat de minister een onjuist standpunt inneemt met betrekking tot de stukken die op de zaak betrekking hebben en/of dat niet zomaar kan worden uitgegaan van wat de minister stelt.
9. Uit artikel 15 van Pro de AVG en vaste rechtspraak [3] over het recht op een kopie van persoonsgegevens blijkt het volgende.
Artikel 15 van Pro de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke duidelijkheid te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te krijgen van die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van Pro de AVG is de betrokkene de mogelijkheid te geven zich van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens op de hoogte te stellen en om de juistheid van de persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren.
9.1
Een verwerkingsverantwoordelijke is op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG verplicht aan de betrokkene een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens van de betrokkene die onder zijn verantwoordelijkheid worden verwerkt. Deze verplichting houdt niet in dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een kopie te verstrekken van de stukken waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een verwerkingsverantwoordelijke mag deze stukken verstrekken, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, zoals een overzicht van de persoonsgegevens. Als met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15 van Pro de AVG wordt voldaan.
9.2
Soms is het nodig dat informatie in een bepaalde context wordt geplaatst om de informatie te kunnen begrijpen. Dat kan met zich meebrengen dat de verwerkingsverantwoordelijke dan niet met een overzicht kan volstaan en de stukken moet verstrekken waarin de persoonsgegevens staan maar dan wel alleen voor zover dat nodig is om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten op grond van artikel 15 van Pro de AVG uit te kunnen oefenen. Een recht op inzage van persoonsgegevens is iets anders dan een recht op toegang tot bestuurlijke stukken. Artikel 15 van Pro de AVG is niet bedoeld om toegang tot bestuurlijke stukken te verzekeren.
10. Op grond van (artikel 15 van Pro) de AVG, gelet ook op de vaste rechtspraak over het recht op een kopie van persoonsgegevens, heeft eiseres dus geen recht op een kopie van integrale stukken. De toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] die eiseres heeft aangehaald is gebaseerd op de AVG. Omdat de AVG geen recht geeft op integrale stukken is deze toezegging ook niet te lezen als een toezegging dat de minister inzage geeft door (niet gelakte) screenprints van een registratie in de FSV te verstrekken.
11. In het door eiser aangehaalde arrest van de HR van 4 mei 2018 heeft de HR een aanvulling gegeven op de eerder in het arrest van 10 april 2015 [4] gegeven uitgangspunten voor wat moet worden verstaan onder de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Awb. In algemene zin heeft de HR overwogen dat alle stukken die een bestuursorgaan heeft gebruikt bij zijn besluitvorming in beginsel tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren en moeten worden overgelegd. De HR heeft specifiek overwogen dat ook elektronisch vastgelegde gegevens moeten worden aangemerkt als stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Voor gegevens in databases geldt dat zij slechts op de zaak betrekking hebben voor zover zij van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op de aan de orde zijnde zaak. Deze gegevens vormen het op de zaak betrekking hebbende ‘stuk’, dat in de vorm van een afdruk of op een andere geschikte wijze ter beschikking moet worden gesteld. Een bestuursorgaan is op grond van artikel 8:42, eerste lid van de Awb niet verplicht om buiten de reeds ter beschikking staande of gestaan hebbende stukken nadere gegevens te vergaren.
12. Eiseres stelt dat de minister screenprints kan verstrekken van haar registratie in de FSV. De rechtbank weet ambtshalve dat de minister deze mogelijkheid heeft. De registratie van eiseres in de FSV is naar het oordeel van de rechtbank daarom een verzameling van elektronische gegevens die raadpleegbaar kunnen worden gemaakt. De vraag is of de screenprints van belang zijn voor de beoordeling van deze zaak. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van wat eiseres daartegen aanvoert. Om deze beoordeling te kunnen maken heeft de rechtbank de screenprints van de registratie van eiseres in de FSV niet nodig.
13. Op grond van de uitgangspunten van de HR zijn de screenprints van de registratie van eiseres in de FSV geen stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel
8:42 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitgangspunten van de HR niet te volgen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op
25 februari 2026 [5] nog in lijn met deze uitgangspunten geoordeeld.
14. Omdat deze screenprints geen stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Awb
zijn het, gelet op de samenhang tussen artikel 8:42 van Pro de Awb en artikel 7:4 van Pro de Awb, ook geen stukken waarvan eiseres in de bezwaarschriftprocedure op grond van artikel
7:4 van de Awb al inzage of een afschrift had moeten krijgen. De minister heeft daarom ook niet in strijd gehandeld met artikel 6 EVRM Pro door eiseres deze screenprints niet als op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken.
15. De hiervoor besproken bepalingen geven eiseres dus geen recht op de screenprints van haar registratie in de FSV. Dit betekent dat de minister niet verplicht is deze screenprints aan eiseres te verstrekken. De algemene stukken/publicaties waarnaar eiseres verwijst maken dat niet anders. De standpunten van de minister dat de screenprints van de registratie van eiseres in de FSV geen stukken zijn die op de zaak betrekking hebben en dat hij de screenprints niet aan eiseres hoeft te verstrekken zijn dan ook juist. Dat eiseres de screenprints om haar moverende redenen wil hebben en wat in de algemene stukken/publicaties staat waarnaar eiseres verwijst maken dat niet anders. Wat eiseres aanvoert slaagt dus niet.
16. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om toepassing geven aan haar bevoegdheid om een onderzoek ter plaatse in te stellen en de FSV in te zien en getuigen te horen over de raadpleegbaarheid van de FSV en over wat er in de FSV staat, zoals eiseres vraagt.
ROE 24/4072 (voorlopige conclusie schadevergoedingsverzoek FSV)
17. Het bestreden besluit in deze zaak is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb; een besluit op bezwaar. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van
6 mei 1997 [6] kan de minister niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is op het beroep te beslissen.
18. De rechtbank beoordeelt zaken van openbare orde ambtshalve. De ontvankelijkheid van een bezwaar is een zaak van openbare orde. De minister heeft het bezwaar van eiseres tegen zijn brief over zijn voorlopige conclusie op haar verzoek om schadevergoeding voor haar registratie in de FSV niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar is gericht tegen een informatieve brief.
19. In deze brief heeft de minister zijn voorlopige conclusie met eiseres gedeeld. De minister heeft daarbij aangegeven dat zijn conclusie nog geen definitieve conclusie is en dat hij het voornemen heeft om het verzoek om schadevergoeding af te wijzen. Eiseres heeft met deze brief de mogelijkheid gekregen om op de voorlopige conclusie te reageren en de minister van meer informatie te voorzien.
20. De rechtbank is van oordeel dat de brief informatief van aard is en geen besluit inhoudt als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb waartegen bezwaar kon worden gemaakt. De brief is niet op rechtsgevolg gericht. De minister heeft het bezwaar van eiseres tegen deze brief daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
21. Eiseres wijst in beroep op de weigering van de minister om stukken te verstrekken naar aanleiding van haar inzageverzoek en dat de brief over de voorlopige conclusie van de minister ten onrechte niet aan haar gemachtigde is gestuurd. Eiseres voert ook nog gronden aan die gericht lijken te zijn tegen de definitieve afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Voor de volledigheid overweegt de rechtbank daarover nog dat wat eiseres in beroep aanvoert niet aantast dat de brief over de voorlopige conclusie van de minister geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb en daarom niet slaagt.
ROE 24/4458 (definitief besluit schadevergoedingsverzoek FSV)
22. Ook een zaak van openbare orde is de bevoegdheid van de rechtbank om op een beroep te beslissen. De rechtbank is van oordeel dat zij niet bevoegd is om op het beroep van eiseres tegen het definitieve besluit op het verzoek om schadevergoeding van eiseres voor haar registratie in de FSV te beslissen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024. [7] De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat de bestuursrechtelijke weg in een geval als dit niet openstaat en dat hierover alleen bij de burgerlijke rechter kan worden geprocedeerd. De Afdeling heeft uitgebreid toegelicht hoe zij tot dit oordeel komt. De rechtbank ziet daarin reden te volstaan met een verwijzing naar die uitspraak. Dat eiseres de weg naar de civiele rechter niet als een ‘effective remedy’ ziet als bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM geeft geen aanleiding die uitspraak niet te volgen. De rechtbank komt hierdoor aan wat eiseres verder in deze zaak nog aanvoert niet meer toe.
De verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn en vertragingsschade
23. Eiseres verzoekt om vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. Sinds de inwerkingtreding van de verzoekschriftprocedure [8] oordeelt de rechtbank met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure over zo’n verzoek. Als zo’n verzoek wordt gedaan wordt frustratieschade door het lange wachten op de uitkomst van de procedure verondersteld.
24. Vaste rechtspraak is dat zaken binnen een redelijke termijn moeten worden behandeld. In de regel is dat een termijn van twee jaren. [9] De rechtbank gaat in deze zaken ook uit van een redelijke termijn van twee jaren. In vaste rechtspraak wordt verder voor vergoeding van die schade uitgegaan van een schadevergoeding van € 500,- voor een termijnoverschrijding tot zes maanden. [10]
ROE 22/2328
25. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres door de minister op 29 juni 2022 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met bijna twee jaren overschreden. De minister heeft op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom geheel aan de rechtbank te wijten. Dit betekent dat eiseres een schadevergoeding toekomt van € 2.000,-. Omdat de termijnoverschrijding aan de rechtbank is te wijten zal de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moeten betalen.
ROE 24/4072 en ROE 24/4458
26. De redelijke termijn is in beide zaken begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres door de minister op 12 augustus 2024 dan wel 23 oktober 2024 en loopt in beide zaken tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is in beide zaken op het moment van de uitspraak nog niet overschreden.
ROE 22/2328, ROE 24/4072 en ROE 24/4458
27. Eiseres heeft in alle zaken gevraagd om een schadeloosstelling in de vorm van wettelijke rente over na te betalen bedragen. Dit verzoek is niet toewijsbaar. Van vertragingsschade is niet gebleken en ook niet dat vertragingsschade zal intreden.

Conclusie en gevolgen

28. De rechtbank mag niet beslissen op het beroep dat geregistreerd is onder zaaknummer ROE 24/4458. Het beroep gaat over schade die eiseres stelt te hebben geleden als gevolg van haar registratie in de FSV en daarover kan zij alleen een vordering bij de burgerlijke rechter instellen. De andere twee beroepen zijn ongegrond omdat niet slaagt wat eiseres in die beroepszaken aanvoert. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de bestreden besluiten blijven in stand.
Eén verzoek om schadevergoeding worden toegewezen tot een bedrag van
€ 2.000,-. De andere verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.

Griffierecht en proceskosten

In de beroepszaken
29. Eiseres heeft in alle zaken een beroep op betalingsonmacht gedaan. Eiseres voldoet in de zaak met zaaknummer ROE 22/2328 niet aan de criteria voor vrijstelling van de betaling van het griffierecht. Op grond van de door haar overgelegde stukken is haar inkomen hoger dan het drempelbedrag. De griffier heeft het beroep op betalingsonmacht daarom terecht afgewezen.
30. In de andere zaken heeft de griffier de beroepen op betalingsonmacht ingewilligd. In de zaak met zaaknummer ROE 24/4072 terecht omdat eiseres voldeed aan de criteria voor vrijstelling van de betaling van het griffierecht. In de zaak met zaaknummer
ROE 24/4458 onterecht omdat het aanvraagformulier niet volledig is ingevuld. Dit laatste heeft in dit geval echter geen consequenties. Omdat de rechtbank niet bevoegd is op het beroep te beslissen hoeft eiseres om die reden geen griffierecht te betalen.
ROE 22/2328
31. Eiseres is het er in deze zaak niet mee eens dat zij voor de behandeling van het beroep in deze zaak griffierecht heeft moeten betalen. Zij vindt het heffen van griffierecht in zaken als deze in strijd met artikel 6 EVRM Pro.
32. Als een beroep op betalingsonmacht niet slaagt en de anti-cumulatieregels in artikel 8:41 van Pro de Awb niet van toepassing zijn, zoals in dit geval, is de indiener van een beroep griffierecht verschuldigd. De griffier moest daarom in deze zaak griffierecht van eiseres heffen. Omdat niet is gebleken dat sprake is van betalingsonmacht is het heffen van griffierechten van eiser niet in strijd met artikel 6 EVRM Pro. [11]
33. Eiseres krijgt het betaalde griffierecht niet terug omdat het beroep ongegrond is en er overigens geen aanleiding is te bepalen dat de minister de griffierrechten moet vergoeden.
ROE 22/2328, ROE 24/4072 en ROE 24/4458
34. Er is in geen van de beroepszaken aanleiding voor een veroordeling van de minister in de proceskosten van eiseres.
Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding dat wordt toegewezen
35. Omdat één verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moeten betalen, moet de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) ook een vergoeding betalen voor de proceskosten die eiseres in verband met dat schadevergoedingsverzoek heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten Bestuursrecht telt de rechtbank één punt voor het indienen van het verzoekschrift. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van
€ 934,- en past wegingsfactor 0,5 toe. Dit betekent dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) een bedrag van € 467,- moeten vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de behandeling van het verzoek op de zitting. Het verzoek is namelijk op de zitting nauwelijks aan de orde gekomen.

Wat overigens nog aan de orde is geweest

ROE 22/232836. Eiseres heeft in deze zaak een brief overgelegd van de Belastingdienst van 29 juli 2023 waarin zij geïnformeerd wordt over de uitkomst van het onderzoek naar de gevolgen die haar registratie in de FSV voor haar heeft gehad. In de brief staat dat eiseres niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming. Eiseres ziet deze brief als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Awb en stelt zich op het standpunt dat het beroep ook betrekking heeft op deze brief.
37. De rechtbank ziet dit anders. Het beroep heeft betrekking op het bestreden besluit waarmee de minister bij de toewijzing van het inzageverzoek is gebleven. De genoemde brief houdt geen besluit in dat het bestreden besluit intrekt, vervangt of wijzigt. Het beroep heeft daarom niet ook betrekking op het besluit in die brief. De Afdeling heeft op 18 juni 2025 [12] geoordeeld dat de brief een besluit inhoudt. De rechtbank zal de brief van eiseres waarin zij aangeeft het niet eens te zijn met de brief van de Belastingdienst van 29 juli 2023 aan de minister doorsturen om de brief als bezwaarschrift in behandeling te kunnen nemen.

Beslissing

De rechtbank:
ROE 24/4458
- is niet bevoegd om op het beroep tegen het definitieve besluit op het verzoek om schadevergoeding FSV te beslissen;
- verklaart dat over deze schadevergoeding alleen een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld;
ROE 22/2328 en ROE 24/4072
- verklaart de twee andere beroepen ongegrond;
ROE 22/2328
- wijst één verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 2.000,- te betalen aan eiseres door de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid);
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiseres van een vergoeding voor proceskosten gemaakt in verband met het toegewezen verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 467,-;
ROE 22/2328, ROE 24/4072 en ROE 24/4458
- wijst de andere verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 mei 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voor een betere leesbaarheid van de uitspraak noemt de rechtbank eiseres in de uitspraak ook als daar zou moeten staan de gemachtigde van eiseres namens eiseres.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 2 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:647), de uitspraak van de ABRvS van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:487), de uitspraak van de ABRvS 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5088) en het arrest van het Hof van Justitie van 4 mei 2023 (ECLI:EU:C:2023:369).
6.ECLI:NL:RVS:AA6762.
8.Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (de artikelen 8:88 tot en met 8:95 van de Awb).
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3853).
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak genoemd in noot 9.
11.Zie de uitspraak van de ABRvS van 13 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:783).