AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht samenwonen partner
Eiseres ontving een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Verweerder trok de uitkering per 17 juli 2023 in omdat eiseres niet tijdig had gemeld dat zij samenwoonde met haar partner die de kinderen erkend had, waardoor sprake was van een gezamenlijke huishouding en een andere uitkeringsnorm van toepassing was.
Verweerder vorderde de bijstand terug over de periode van 17 juli 2023 tot 31 januari 2024 en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiseres voerde aan dat de situatie complex was vanwege de verblijfsrechtelijke gevolgen voor haar partner en dat zij geen verwijt kon worden gemaakt. Ook stelde zij dat verweerder de bijstand had moeten afstemmen op haar situatie en dat er dringende redenen waren om bijstand te verlenen.
De rechtbank oordeelde dat eiseres de inlichtingenplicht had geschonden door het samenwonen niet tijdig te melden. De situatie van eiseres vormde geen acute noodsituatie die rechtvaardigde af te zien van intrekking of terugvordering. De boete was terecht opgelegd en gematigd vanwege haar beperkte draagkracht. De beroepen werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen van eiseres tegen intrekking, terugvordering en boete worden ongegrond verklaard.
Voetnoten
1.Verzonden op 29 februari 2024.
2.Verzonden 13 maart 2024.
3.Deze zaak is geregistreerd onder kenmerk UTR 24/4491 PW.
4.Deze zaak is geregistreerd onder kenmerk UTR 24/5248 PW.
5.Artikel 3, vierde lid, onder b, van de Pw.
6.Artikel 17, eerste lid, van de Pw.
7.Verweerder verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 23 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3263. 8.Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw.
10.Verweerder gaat hierbij in op de situatie en de uitspraak van de Raad van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726. 11.Artikel 18a, eerste lid, van de Pw.
12.Verweerder verwijst naar artikel 18a, zevende lid, van de Pw en op een uitspraak van de Raad van 22 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:681. 13.Artikel 18a, vierde lid, van de Pw.
14.Eiseres verwijst naar artikel 18, negende lid, van de Pw.
15.Artikel 18, eerste lid, van de Pw.
16.Tijdens de zitting is namens eiseres een beroep gedaan op artikel 16, eerste lid, van de Pw.
18.Artikel 17, eerste lid, van de Pw.
19.Artikel 3, vierde lid, onder b, van de Pw.
20.Artikel 18, eerste lid, van de Pw.
22.Artikel 16, eerste lid, van de Pw.
25.Artikel 58, eerste lid, van de Pw jo. artikel 17, eerste lid, van de Pw.
26.Artikel 58. Achtste lid, van de Participatiewet.
30.Zie ook de Beleidsregels terugvordering en invordering Werk en Inkomen Lekstroom 2018 Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz.
31.Artikel 18a, eerste lid, van de Pw.
32.Artikel 18a, vierde lid, van de Pw jo. artikel 2aa van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.
33.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:875 r.o. 4.5, 4.8.1 en 4.8.2.