Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Kern van de zaak
2.De procedure
- de dagvaarding van 19 november 2025,
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
3 De feiten
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
“Adviseur ATP [nummer] - [onderneming 1] B.V. ”,
-een kopie van de kredietovereenkomst van 23 november 2001 waarmee een krediet van NLG 38.421,00 werd verstrekt door De Nederlandsche Voorschotbank, op de kredietovereenkomst is te zien dat deze tot stand is gekomen door [handelsnaam] . Dit betreft een andere handelsnaam van [onderneming 1] ,
Het adviseren en bemiddelen op het gebied van assurantiën’ en ‘
Het verlenen van diensten, in het bijzonder het adviseren, begeleiden en bemiddelen op het gebied van assurantiën en taxaties, alsmede bemiddelen als makelaar’,
” [handelsnaam] ” is een professionele organisatie die bemiddelt in alle vormen van krediet (…).
- dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
- dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
- dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
- dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
€ 144,00