Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verstekvonnis van 21 januari 2015 van deze rechtbank en locatie met kenmerk 3688665 MC EXPL 14-15361, hierna te noemen: het verstekvonnis,
- de verzetdagvaarding van 26 mei 2025 (aan te merken als de conclusie van antwoord), met een eis in reconventie,
- de conclusie van antwoord in oppositie, tevens conclusie van antwoord in reconventie,
- de conclusie van repliek in oppositie, tevens conclusie van antwoord (de kantonrechter begrijpt repliek) in reconventie,
- de conclusie van dupliek in oppositie, tevens conclusie van dupliek in reconventie.
2.De feiten
3.De vordering en het verweer in de hoofdzaak
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij 2] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
- een kopie van de overeenkomst van 5 november 1998 met contractnummer [contractnummer] , voorzien van de tekst:
“Adviseur ATP [nummer] [bedrijfsnaam 1] ”,- een kopie van een uittreksel van de KvK van 15 juni 2021 met als beschrijving van de werkzaamheden ‘Bemiddeling in verzekeringen, hypotheken, financieringen, pensioenen, spaarregelingen’.
- dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
- dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
- dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
- dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
€ 144,00