ECLI:NL:RBMNE:2026:460

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
11731764 MC EXPL 25-3240 D/954
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 22 RvArt. 25 NR 1995Art. 41 NR 1999Art. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Dexia bij effectenleaseovereenkomst via onvergunde tussenpersoon

In deze civiele verzetprocedure staat een effectenleaseovereenkomst centraal die [partij 2] in 1998 met Dexia is aangegaan via een tussenpersoon zonder vergunning. Dexia stelde dat het verzet niet-ontvankelijk was wegens overschrijding van de termijn, maar de rechtbank oordeelde dat [partij 2] tijdig verzet heeft ingesteld omdat hij zelf niet eerder kennis had genomen van het verstekvonnis.

De rechtbank beoordeelde de zaak aan de hand van bestaande jurisprudentie over effectenleaseproducten en oordeelde dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door [partij 2] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon zonder vergunning persoonlijk had geadviseerd. Dexia heeft haar zorgplicht, waaronder de waarschuwingsplicht, geschonden, wat heeft geleid tot schade bij [partij 2].

De rechtbank stelde vast dat Dexia onvoldoende heeft weersproken dat sprake was van vergunningplichtige advisering en dat Dexia de wetenschap hiervan had moeten hebben. Dexia werd veroordeeld tot vergoeding van de door [partij 2] betaalde termijnen minus genoten voordelen, vermeerderd met wettelijke rente. Het verzet werd gegrond verklaard, het verstekvonnis vernietigd en de vorderingen van Dexia afgewezen.

De proceskosten werden aan Dexia opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank verwierp het verzoek van Dexia tot aanhouding in verband met cassatieberoepen en ging niet in op het verzoek van [partij 2] om inzage in het aanvraagformulier omdat hij geen belang meer had.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, het verstekvonnis vernietigd, Dexia onrechtmatig bevonden en veroordeeld tot schadevergoeding aan [partij 2].

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
zaaknummer: 11731764 MC EXPL 25-3240 D/954
Vonnis van 28 januari 2026
inzake
de besloten vennootschap
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verder ook te noemen Dexia,
gedaagde partij in het verzet in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: USG Legal Professionals,
tegen:
[partij 2],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [partij 2] ,
eisende partij in het verzet in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verstekvonnis van 21 januari 2015 van deze rechtbank en locatie met kenmerk 3688665 MC EXPL 14-15361, hierna te noemen: het verstekvonnis,
  • de verzetdagvaarding van 26 mei 2025 (aan te merken als de conclusie van antwoord), met een eis in reconventie,
  • de conclusie van antwoord in oppositie, tevens conclusie van antwoord in reconventie,
  • de conclusie van repliek in oppositie, tevens conclusie van antwoord (de kantonrechter begrijpt repliek) in reconventie,
  • de conclusie van dupliek in oppositie, tevens conclusie van dupliek in reconventie.
Dit laatste stuk wordt aangemerkt als een akte uitlating producties in conventie, tevens conclusie van dupliek in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[partij 2] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[contractnummer]
5-11-1998
Capital Effect
2.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
18-5-2006
€ 593,94
Ja door Dexia
2.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [partij 2] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 5.989,36 aan termijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [partij 2] € 352,54 aan dividenden ontvangen en heeft hij geen – voor de schadeberekening in aanmerking te nemen - fiscaal voordeel genoten.

3.De vordering en het verweer in de hoofdzaak

3.1.
[partij 2] heeft verzet aangetekend tegen het verstekvonnis. In het verstekvonnis is voor recht verklaard dat Dexia ten aanzien van de overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [partij 2] verschuldigd is, met veroordeling van [partij 2] in de proceskosten. [partij 2] vordert in conventie samengevat vernietiging van het verstekvonnis en afwijzing van de vorderingen van Dexia. In reconventie vordert [partij 2] (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij 2] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [partij 2] van al datgene dat [partij 2] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
en in conventie en reconventie
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
4. De beoordeling van de tijdigheid van het verzet en van de vorderingen in conventie en in reconventie
verzet
4.1.
Dexia heeft primair aangevoerd dat [partij 2] niet-ontvankelijk is omdat de verzettermijn ruimschoots is verstreken. Volgens Dexia is die termijn op 12 maart 2015 met de betekening van het vonnis, gaan lopen. Voorts meent Dexia dat [partij 2] ook al ruimschoots voor het uitbrengen van de verzetdagvaarding kennis heeft genomen van de inhoud van het vonnis uit 2015. Zijn schuldhulpverlener heeft de vordering die de proceskosten- en betekeningskosten betreft van het verstekvonnis betreft, in 2025 erkend. Wetenschap van de schuldhulpverlener van [partij 2] kan aan hem worden toegerekend. Vervolgens heeft Dexia de bewindvoerder van [partij 2] in de wettelijke schuldsaneringsregeling ook op de hoogte gesteld van haar vordering. [partij 2] heeft dus ver voor het uitbrengen van de verzetdagvaarding al kennis genomen van het verstekvonnis. Dat dit pas op 20 mei 2025 is gebeurd, zoals [partij 2] heeft gesteld, is dan ook aantoonbaar onjuist, aldus Dexia.
4.2.
[partij 2] stelt dat de verzettermijn niet op 12 maart 2015 is aangevangen omdat het verstekvonnis niet in persoon is betekend. Hij erkent dat hij de envelop van de deurwaarder heeft ontvangen maar dat hij die niet heeft geopend omdat hij in problemen verkeerde, waaronder financiële. Het verstekvonnis is op 25 april 2025 aan de gemachtigde van [partij 2] gezonden en [partij 2] is pas op 20 mei 2025 door de gemachtigde op de hoogte gesteld van de inhoud van het verstekvonnis. [partij 2] stelt zich op het standpunt dat hij wel ontvankelijk is in zijn verzet omdat geen sprake is geweest van een eerder door hemzelf gepleegde daad van bekendheid waaruit op te maken valt dat hij over voldoende gegevens beschikte om zich tijdig en adequaat tegen het verstekvonnis te kunnen verzetten. Daden van derden mogen in dat kader niet aan hem worden toegerekend.
4.3.
Dexia heeft vervolgens nog toegelicht dat het volgens haar erom gaat dat de erkenning van de vordering van Dexia door vertegenwoordigers van [partij 2] , een daad van bekendheid opleveren. Volgens haar is het een feit van algemene bekendheid dat alvorens een vordering te erkennen een schuldhulpverlener bij de schuldenaar zal verifiëren of een vorering terecht is en wat de oorsprong van de vordering is. In dat verband zal de inhoud van het verstekvonnis met [partij 2] zijn besproken.
4.4.
Anders dan Dexia meent is vaste jurisprudentie dat het moet gaan om een daad van bekendheid met het verstekvonnis door [partij 2] zelf en niet van een derde die namens hem optrad. Dexia heeft dus geen relevante feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat hij reeds eerder dan 20 mei 2025 zodanig op de hoogte was van de inhoud van het verstekvonnis dat hij verzet had kunnen instellen. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. [partij 2] is dus ontvankelijk in het verzet.
algemeen
4.5.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij 2] .
4.6.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
4.7.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[partij 2] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
verjaring
4.8.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij 2] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
4.9.
[partij 2] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [bedrijfsnaam 1] (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
4.10.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [partij 2] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [partij 2] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij 2] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij 2] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij 2] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
4.11.
[partij 2] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[partij 2] is via zijn schoonouders in contact gekomen met de financieel adviseur van [bedrijfsnaam 1] , De financieel adviseur (hierna te noemen: ‘adviseur’) was in eerste instantie op huisbezoek om de schoonouders van [partij 2] te adviseren. [partij 2] woonde destijds bij hen in en is tijdens dit huisbezoek ook benaderd door de adviseur om geadviseerd te worden over zijn financiële situatie. [partij 2] is hiermee akkoord gegaan. Bij het gesprek was tevens de echtgenote van [partij 2] aanwezig.
Tijdens het huisbezoek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [partij 2] . De adviseur werd op de hoogte gebracht van het feit dat [partij 2] bij zijn schoonouders inwoonde. Bovendien was [partij 2] net zijn eigen zaak begonnen, namelijk [bedrijfsnaam 2] in [plaats] . [partij 2] werkte hier samen met zijn schoonouders en echtgenote. Vervolgens is met de adviseur gesproken over de wens van [partij 2] om vermogen op te bouwen om in de toekomst een eigen huis te kunnen kopen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur adviseerde [partij 2] om een Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten. De adviseur adviseerde [partij 2] een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 200,00. De hoogte van de maandbetalingen heeft [partij 2] in samenspraak met de adviseur vastgesteld aan de hand van wat [partij 2] aangaf te kunnen missen. De adviseur heeft [partij 2] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. [partij 2] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [partij 2] het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de Capital Effect overeenkomst is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.
4.12.
[partij 2] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 5 november 1998 met contractnummer [contractnummer] , voorzien van de tekst:
“Adviseur ATP [nummer] [bedrijfsnaam 1] ”,- een kopie van een uittreksel van de KvK van 15 juni 2021 met als beschrijving van de werkzaamheden ‘Bemiddeling in verzekeringen, hypotheken, financieringen, pensioenen, spaarregelingen’.
aanhoudingsverzoek
4.13.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
4.14.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
4.15.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
4.16.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [partij 2] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] [5] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [partij 2] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [partij 2] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [partij 2] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [partij 2] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [partij 2] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [partij 2] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
4.17.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [partij 2] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [partij 2] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [partij 2] voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia
4.18.
Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [partij 2] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [partij 2] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij 2] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [6] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [partij 2]
4.19.
De door [partij 2] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [partij 2] heeft gehandeld door [partij 2] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [partij 2] niet alleen als klant aanbracht maar [partij 2] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
4.20.
De als gevolg hiervan door [partij 2] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [partij 2] met uitzondering van het fiscaal voordeel, niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. [partij 2] heeft gesteld dat een fiscaal voordeel van € 337,76 (dividendbelasting) in aanmerking dient te worden genomen. Dexia heeft eerst bij de laatste conclusie gesteld dat sprake is geweest van aftrekbare rente en dat het fiscaal voordeel € 1.304,21 heeft bedragen. Nu [partij 2] niet meer heeft kunnen reageren op deze stelling, overweegt de kantonrechter dat bij de berekening van de schade het door [partij 2] daadwerkelijk genoten fiscale voordeel in aanmerking dient te worden genomen. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
4.21.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
4.22.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [partij 2] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
het verzoek van [partij 2] op grond van 22 Rv
4.23.
[partij 2] verzoekt Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier. Uit het voorgaande volgt dat [partij 2] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat aan het verzoek voorbij wordt gegaan.
vorderingen Dexia
4.24.
Gelet op de beoordeling in conventie zal het verzet gegrond worden verklaard, het verstekvonnis worden vernietigd en opnieuw rechtdoende, zullen de vorderingen van Dexia worden afgewezen.
proceskosten
4.25.
Omdat [partij 2] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [partij 2] gevallen. De kosten voor het uitbrengen van de verzetdagvaarding komen voor rekening van [partij 2] omdat deze kosten het gevolg zijn van he feit dat [partij 2] in eerste instantie niet is verschenen,
Omdat het partijdebat in conventie is samengevallen met het debat in reconventie worden de kosten in conventie tot op heden begroot op nihil.
De proceskosten van [partij 2] in reconventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 720,00.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
verklaart het verzet van [partij 2] gegrond,
5.2.
vernietigt het door deze rechtbank en locatie op 21 januari 2015 gewezen verstekvonnis met kenmerk 3688665 MC EXPL 14-15361, en ontheft [partij 2] van de daarin opgenomen verklaring voor recht en veroordeling,
en opnieuw beslissend
5.3.
wijst de vorderingen af,
5.4.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [partij 2] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
in reconventie
5.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij 2] heeft gehandeld door [partij 2] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [partij 2] niet alleen als klant aanbracht maar [partij 2] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
5.6.
veroordeelt Dexia om aan [partij 2] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 4.20.,
5.7.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
5.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.