Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De vordering
2.Het verloop van de procedure
Betalingen via [persoon 1] : € 17.068.176,47
Contante betalingen via [persoon 5] en [persoon 6] : € 299.000,00
hij, verdachte (de rechtbank leest: veroordeelde), op een voor die [slachtoffer 1] dreigende wijze tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij en/of één of meer van zijn familieleden zouden worden gedood als hij niet binnen een gestelde termijn zou betalen, en
hij, verdachte, op een voor die [slachtoffer 1] dreigende wijze zich heeft opgehouden bij de woning en bij een locatie waar die [slachtoffer 1] op dat moment aanwezig was, en
op een voor die [slachtoffer 1] dreigende wijze een vuurwapen aan die [slachtoffer 1] is voorgehouden en op die [slachtoffer 1] is gericht, en
hij, verdachte, een dermate dreigende situatie voor die [slachtoffer 1] heeft gecreëerd en in stand gehouden, dat de vrees van die [slachtoffer 1] voor geweld van de zijde van de verdachte gerechtvaardigd was.
€ 17.068.165,75.
€ 49.000,00.
“Er was elke keer wat, en er werd elke keer meer gevraagd. (…) Hij (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) zei dat mij steeds wanneer hij weer had betaald aan [veroordeelde] . Hij moest dan steeds op komen draven voor [veroordeelde] , en dan kreeg hij of instructies of briefjes waarop bedragen stonden die hij moest betalen”, aldus [persoon 10] . Voorts heeft [persoon 10] verklaard:
€ 250.000,00.
hij, verdachte (de rechtbank leest: veroordeelde), naar de woning van die [slachtoffer 2] is gegaan en die [slachtoffer 2] heeft gewaarschuwd voor een probleem dat die [slachtoffer 2] en diens zoon [persoon 11] zouden hebben of kunnen krijgen in verband met de omgang van die [persoon 11] met een meisje, en
hij, verdachte, en zijn mededaders op een later moment naar de woning van die [slachtoffer 2] zijn gegaan, hij, verdachte, tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat een persoon hem, [slachtoffer 2] , wilde spreken, en zijn mededader(s) dreigend tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd dat diens zoon [persoon 11] een probleem had, dat er geld moest worden betaald en dat hij en zijn familieleden zouden worden gedood.
€ 90.756,00.
naar de woning van die [slachtoffer 3] zijn gegaan en dreigend tegen die [slachtoffer 3] hebben gezegd dat hij dat geldbedrag moest betalen omdat anders zijn woning zou worden opgeblazen en hij, [slachtoffer 3] , en zijn familieleden zouden worden gedood, en
op een voor die [slachtoffer 3] dreigende wijze een vuurwapen aan die [slachtoffer 3] hebben getoond, en
dreigend die [slachtoffer 3] hebben toegesproken, en
die [slachtoffer 3] hebben meegenomen,
“ [veroordeelde] zou 500.000 krijgen. [medeverdachte 4] 200.000. [medeverdachte 3] 50.000. [medeverdachte 5] 250.000 Euro.”
€ 500.000,00.
€ 17.957.921,75.
nietin aanmerking mag worden genomen het voordeel aan rente dat veroordeelde, doordat hij de beschikking had over het geschatte wederrechtelijk verkregen vermogen, heeft kunnen (doen) genereren, dan wel dat hij heeft kunnen besparen (ECLI:NL:HR:2016:577).
€ 17.952.921,75.
5.Toepasselijke wettelijke bepaling
6.Beslissing
€ 17.957.921,75.
1ste achterbankgesprekvan [slachtoffer 1] met de Criminele Inlichtingen Eenheid van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland (CIE) op 20 maart 2003, voor zover inhoudende (D4-0003, midden), zakelijk weergegeven:
2de achterbankgesprekvan [slachtoffer 1] met de CIE op 4 april 2003, voor zover inhoudende (D4-0009, onder), zakelijk weergegeven, waarbij “J” staat voor een medewerker van de CIE en “W” voor [slachtoffer 1] :
4de achterbankgesprekvan [slachtoffer 1] met de CIE op 16 april 2003, voor zover inhoudende (D4-0054, boven), zakelijk weergegeven, waarbij “W” staat voor [slachtoffer 1] :
5de achterbankgesprekvan [slachtoffer 1] met de CIE op 15 mei 2003, voor zover inhoudende (D4-0083, midden), zakelijk weergegeven, waarbij “W” staat voor [slachtoffer 1] :
7de achterbankgesprekvan [slachtoffer 1] met de CIE op 24 juni 2003, voor zover inhoudende (D4-0129, onder, en D4-0130, boven), zakelijk weergegeven, waarbij “W” staat voor [slachtoffer 1] en “J” voor een medewerker van de CIE:
9de achterbankgesprekvan [slachtoffer 1] met de CIE op 15 juli 2003, voor zover inhoudende (D4-0200, onder, en D4-0201, boven), zakelijk weergegeven, waarbij “J” staat voor een medewerker van de CIE en “W” voor [slachtoffer 1] :
dagboekaantekeningenvan [slachtoffer 1] , gedateerd 8 juli 2004 (met als bijlagen de handgeschreven aantekeningen), voor zover inhoudende (D5-0001 e.v.), zakelijk weergegeven:
[getuige 3], gedateerd 6 december 2006, voor zover inhoudende (G1-22-113, onder, en G1-22-114, onder), zakelijk weergegeven, als vragen van de verhorende verbalisanten en antwoorden van [getuige 3] :
[getuige 4]door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Haarlem op 7 maart 2007, voor zover inhoudende (G1-180-22, onder, en G1-180-27, onder), zakelijk weergegeven, als vragen van de rechter-commissaris en antwoorden van [getuige 4] voornoemd:
[getuige 5], gedateerd 10 juni 2004, voor zover inhoudende (AE-17-0013, onder, en AE-17-0014, midden), zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 5] voornoemd:
[getuige 6]door de officieren van justitie J. Plooij en F. Teeven op 27 december 2004, voor zover inhoudende (G1-283-41, boven), zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 6] voornoemd:
[getuige 6]:
[persoon 5], gedateerd 21 november 2005, voor zover inhoudende (Enclave, 4-1086, midden), zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 5] voornoemd:
[persoon 5]door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Haarlem op 9 november 2006, voor zover inhoudende (G1-11-036, boven, en G1-11-045, onder), zakelijk weergegeven, als vragen van de rechter-commissaris en antwoorden van [persoon 5] voornoemd respectievelijk als verklaring van [persoon 5] voornoemd:
[persoon 10], gedateerd 6 juni 2005, voor zover inhoudende (G1-29-002, boven en onder, en G1-29-003, boven), zakelijk weergegeven, als vragen van de verhorende verbalisanten en antwoorden van [persoon 10] :
[persoon 11]door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Haarlem op 21 december 2006, voor zover inhoudende (G1-29-034, boven), zakelijk weergegeven, als vragen van de rechter-commissaris en antwoorden van [persoon 11] :
[persoon 6], gedateerd 24 februari 2006, voor zover inhoudende (C4-2-037, boven), zakelijk weergegeven, als vraag van de verhorende verbalisanten en antwoord van [persoon 6] voornoemd:
[persoon 11]:
tapgesprektussen [getuige 7] en [getuige 8] (de rechtbank begrijpt: [getuige 8] ) op 9 december 1999, voor zover inhoudende (AE-18-0051, onder, en AE-18-0052, boven), zakelijk weergegeven:
[getuige 7], gedateerd 31 januari 2005, voor zover inhoudende (G1-15-002, onder, en G1-15-003, midden), zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 7] voornoemd respectievelijk als relaas van de verhorende verbalisanten:
[getuige 7]door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Haarlem op 17 januari 2007, voor zover inhoudende (G1-15-026, boven), zakelijk weergegeven, als vraag van de rechter-commissaris en antwoord van [getuige 7] - [getuige 7] voornoemd:
[getuige 8], gedateerd 3 februari 2005, voor zover inhoudende (G1-18-004, onder, en G1-18-005, boven), zakelijk weergegeven, als vragen van de verhorende verbalisanten en antwoorden van [getuige 8] voornoemd:
[getuige 2], gedateerd 12 februari 2006, voor zover inhoudende (G1-117-08, onder, en G1-117-09, boven), zakelijk weergegeven, als vragen van de verhorende verbalisanten en antwoorden van [getuige 2] voornoemd:
[getuige 2]door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Haarlem op 22 maart 2007, voor zover inhoudende (G1-117-17, midden), zakelijk weergegeven, als vragen van de rechter-commissaris en antwoorden van [getuige 2] voornoemd:
[getuige 1], gedateerd 12 februari 2006, voor zover inhoudende (G1-139-35, onder, en G1-139-37, onder, en G1-139-38, boven), zakelijk weergegeven, als vragen van de verhorende verbalisanten en antwoorden van [getuige 1] voornoemd: