ECLI:NL:RBNHO:2026:2549

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11589060 CV EXPL 25-1024
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995HR 1 mei 2015 ECLI:NL:HR:2015:1198HR 3 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:164
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Dexia bij effectenleaseovereenkomst door vergunningplichtige advisering tussenpersoon

De zaak betreft een effectenleaseovereenkomst waarbij de afnemer via een tussenpersoon belegd heeft met geleend geld, wat leidde tot verlies en restschuld. De afnemer vordert schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van Dexia, omdat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon zonder vergunning persoonlijk adviseerde.

De rechtbank stelt vast dat Dexia haar zorgplicht, met name de waarschuwingsplicht, heeft geschonden door de overeenkomst te sluiten ondanks de vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. De afnemer heeft voldoende concreet gesteld dat de tussenpersoon persoonlijk en specifiek advies gaf, en Dexia heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist.

Dexia had de wetenschap moeten hebben van de advisering en heeft onvoldoende onderzoek gedaan. Hierdoor is sprake van onrechtmatig handelen. De schade van de afnemer, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld minus genoten voordelen, moet volledig door Dexia worden vergoed, vermeerderd met wettelijke rente. De vorderingen van Dexia worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Dexia is onrechtmatig jegens de afnemer en moet de volledige schade vergoeden, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11589060 CV EXPL 25-1024
vonnis van de kantonrechter van 4 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: USG Legal Professionals,
tegen
[gedaagde 1],
wonende te [plaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.
Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde 1] genoemd.

1.Kern van de zaak

1.1.
[gedaagde 1] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. [gedaagde 1] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [gedaagde 1] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [gedaagde 1] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [gedaagde 1] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [gedaagde 1] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door xxx geleden schade helemaal moet vergoeden.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 31 december 2024;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,
  • de conclusie van dupliek in reconventie.
2.2.
De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.3. De feiten

3.1.
[gedaagde 1] heeft de volgende leaseovereenkomst ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
56084346
09-06-2000
Profit Effect Vooruitbetaling
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
08-06-2010
- € 4.788,15
Ja, deels door verrekening
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde 1] op grond van de overeenkomst– al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 13.976,98 aan maandtermijnen en een bedrag van € 2.676,39 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [gedaagde 1] € 2.821,00 aan dividenden ontvangen en € 926,40 aan fiscaal voordeel genoten. Op 10 juli 2012 heeft Dexia een bedrag van € 1.030,39 aan [gedaagde 1] uitgekeerd, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente.

4.De vordering en het verweer

4.1.
Dexia vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten:
zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde 1] verschuldigd is,
[gedaagde 1] zal veroordelen in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde 1] voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering waarbij [gedaagde 1] vordert samengevat dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde 1] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [gedaagde 1] van al datgene dat [gedaagde 1] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

5.5. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie

algemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [gedaagde 1].
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[gedaagde 1] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
5.4.
Dexia vordert onder meer een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [gedaagde 1] verschuldigd.
5.5.
[gedaagde 1] meent nog een vordering op Dexia te hebben vanwege de advisering door een tussenpersoon en de schending van artikel 41 NR Pro 1999 of artikel 25 NR Pro 1995. Ook stelt [gedaagde 1] dat Dexia een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.
5.6.
In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Daartoe is in dit geval de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie. Voor zover [gedaagde 1] zich erop beroept dat nog verdere jurisprudentie moet worden afgewacht, wordt zij daarin niet gevolgd.
verjaring
5.7.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [gedaagde 1] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
5.8.
[gedaagde 1] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [bedrijf]. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.9.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [gedaagde 1] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [gedaagde 1], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [gedaagde 1] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [gedaagde 1] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [gedaagde 1] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.10.
[gedaagde 1] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
‘[gedaagde 1] is voor het eerst in contact gekomen met [bedrijf] nadat haar (overleden) vader, de heer [betrokkene], door [bedrijf] telefonisch werd benaderd. [betrokkene] heeft een telefonisch gesprek gevoerd met een adviseur van [bedrijf]. De adviseur van [bedrijf] stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om een adviesgesprek te houden. [betrokkene] heeft hiermee ingestemd. Vervolgens is er een adviseur bij [betrokkene] op huisbezoek geweest.
Tijdens een adviesgesprek heeft [betrokkene] de financiële situatie en wensen van [gedaagde 1] besproken met de adviseur. Zo is er gesproken over het spaargeld en de recent verkochte woning van [gedaagde 1]. [betrokkene] vertelde dat [gedaagde 1] een bedrag had overgehouden aan de verkoop van de woning. Verder gaf [betrokkene] aan dat [gedaagde 1] de wens had om haar hypothecaire lening voor haar nieuwe woning vroegtijdig af te lossen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur gaf aan dat het Profit Effect een geschikt product zou zijn voor [gedaagde 1]. Volgens de adviseur zou [gedaagde 1] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [gedaagde 1] haar hypothecaire lening vroegtijdig zou kunnen aflossen. De adviseur adviseerde tevens om het bedrag dat [gedaagde 1] had overgehouden van de verkoop van haar woning aan te wenden voor het doen van een vooruitbetaling voor het Profit Effect.
[betrokkene] heeft het advies doorgegeven aan [gedaagde 1], zoals hij dat vaker deed inzake haar financiële zaken. [betrokkene] gaf bij [gedaagde 1] aan dat het Profit Effect geschikt zou zijn voor het opbouwen van vermogen om zodoende haar hypothecaire lening vroegtijdig te kunnen aflossen. Hierbij heeft hij rekenvoorbeelden opgesteld om het advies van de adviseur voor [gedaagde 1] inzichtelijk te maken.
De adviseur heeft [betrokkene] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft de adviseur er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Om deze reden heeft [betrokkene] ook niet kunnen wijzen op de risico’s. Als [gedaagde 1] op deze risico’s gewezen was had zij het Profit Effect nooit afgesloten.
[gedaagde 1] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [gedaagde 1] het advies van de adviseur opgevolgd. [gedaagde 1] heeft een Profit Effect met een vooruitbetaling ter hoogte van NLG 8.098,37 afgesloten.’
5.11.
[gedaagde 1] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 9 juni 2000 met contractnummer 56084346, voorzien van het adviseursnummer:
ATP00361-[bedrijf] B.V.,
- een stuk zonder opschrift, voorzien van handgeschreven rekenvoorbeelden,
- een kopie van een uittreksel van de KvK van [bedrijf] B.V. met als beschrijving van de werkzaamheden
‘het ontwikkelen van beleggingsaktiviteiten en het geven van beleggingsadviezen (direkt of indirect)’.
aanhoudingsverzoek
5.12.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.13.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.14.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.15.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [gedaagde 1] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] [5] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft [gedaagde 1], tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Voor zover Dexia heeft betwist dat [gedaagde 1] geen op haar persoon gericht advies heeft ontvangen omdat het aan haar vader is gegeven, wordt dat niet gevolgd. Uit de – op dit punt onbetwiste – feitelijke uiteenzetting blijkt dat de vader van [gedaagde 1] advies kreeg over een op de persoon van [gedaagde 1] gerichte situatie. Namelijk dat zijn dochter aanzienlijk vermogen zou opbouwen zodat zij de hypothecaire lening voor haar nieuwe woning vroegtijdig kon aflossen, waarop de tussenpersoon het product aanbeval als daarvoor geschikt, Daarna, zo volgt uit de uiteenzetting, tekende [gedaagde 1] zelf de overeenkomst. Dexia heeft de verdere door [gedaagde 1] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, kan Dexia niet volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [gedaagde 1] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [gedaagde 1] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [gedaagde 1] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [gedaagde 1] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [gedaagde 1] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.16.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [gedaagde 1]. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [gedaagde 1] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [gedaagde 1] voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia5.17. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [gedaagde 1] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [gedaagde 1] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [gedaagde 1] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [6] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [gedaagde 1]5.18. De door [gedaagde 1] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagde 1] heeft gehandeld door [gedaagde 1] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [gedaagde 1] niet alleen als klant aanbracht maar [gedaagde 1] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.19.
De als gevolg hiervan door [gedaagde 1] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [gedaagde 1] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
5.20.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [gedaagde 1] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
Het verzoek van [gedaagde 1] op grond van artikel 22 Rv Pro
5.21.
[gedaagde 1] verzoekt Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 1] in het gelijk zal worden gesteld. Zij heeft dan ook geen belang meer bij dit stuk in deze procedure, zodat de kantonrechter aan dit verzoek voorbij gaat.
vorderingen Dexia
5.22.
Gelet op de beoordeling in reconventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.23.
Omdat [gedaagde 1] in reconventie inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [gedaagde 1] gevallen. Omdat het partijdebat in conventie is samengevallen met het debat in reconventie worden de kosten in conventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 720,00.

6.Beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde 1] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
in reconventie
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagde 1] heeft gehandeld door [gedaagde 1] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [gedaagde 1] niet alleen als klant aanbracht maar [gedaagde 1] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.4.
veroordeelt Dexia om aan [gedaagde 1] de schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.19.,
6.5.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.