5.7.[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“[eiser] heeft tussen 1999 en 2001 enige gelden ontvangen vanuit de nalatenschap van haar ouders. Met een kennis heeft [eiser] gesproken over haar wens om deze gelden op een verstandige manier onder te brengen. [eiser] kwam via deze kennis in contact met een medewerker van [bedrijf 1]. De medewerker van [bedrijf 1] stelde voor om een afspraak te maken voor een kantoorbezoek om de financiële situatie van [eiser] door te nemen met een financieel adviseur van [bedrijf 1]. [eiser] heeft hiermee ingestemd. Vervolgens hebben twee kantoorbezoeken plaatsgevonden bij [bedrijf 1] in [plaats].
Tijdens het eerste kantoorbezoek heeft er een gesprek plaatsgevonden met twee adviseurs van [bedrijf 1]. In dit gesprek hebben de adviseurs geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser]. Zo is met de adviseurs gesproken over de situatie dat [eiser] op dat moment geen baan had en in haar eentje zorgdroeg voor haar op dat moment 11-jarige zoontje. Daarnaast is uitgebreid gesproken over de vrijgevallen erfenis na het overlijden van de ouders van [eiser]. Daarbij is met de adviseurs gesproken over de wensen van [eiser]. Hierbij gaf [eiser] aan dat zij twee wensen had met betrekking tot het onderbrengen van gelden uit de erfenis. Ten eerste wilde zij graag een voorziening treffen om te kunnen voorzien in de studiekosten voor haar zoon. Ten tweede wilde zij graag een financiële reserve opbouwen die ervoor zou dienen om parttime te gaan werken gedurende de opvoeding van haar zoon en daarnaast eerder met pensioen te kunnen. De adviseurs gaven aan dat het mogelijk was om deze doelen te bereiken en dat zij hier een geschikt product voor wisten. Vervolgens hebben de adviseurs een pakket aan financiële producten geadviseerd aan [eiser], bestaande uit effectenlease producten en verzekeringspolissen.
Ten eerste adviseerden de adviseurs [eiser] om twee Capital Effect overeenkomsten van Bank Labouchere af te sluiten. Op basis van de besproken omvang van de vrijgevallen erfenis en de doelstellingen van [eiser] adviseerden de adviseurs om de overeenkomsten af te sluiten met een vooruitbetaling van in totaal ongeveer NLG 82.000,-. [eiser] diende hiervoor een groot deel van de erfenis aan te wensen om de vooruitbetaling van de Capital Effect overeenkomsten te financieren. Volgens de adviseurs was dit voordelig, omdat er sprake was van een kortingsclausule bij dit product. Volgens de adviseurs zou [eiser] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eiser] haar twee wensen in vervulling kon laten gaan. Zij zou met de opbrengst uit de effectenlease overeenkomsten ten eerste de voorziening kunnen treffen voor de studiekosten van haar zoon. Daarnaast zou het mogelijk zijn om voorlopig parttime te gaan werken en daarnaast met de overige opbrengst uit de overeenkomsten een financiële reserve op te bouwen ter overbrugging naar de pensioensleeftijd. Zo zou zij op haar 55e kunnen stoppen met werken, aldus de adviseurs.
Ten tweede adviseerden de adviseurs [eiser] om een verzekeringspolis af te sluiten. Een kopie van pagina’s uit deze polis met vermelding van [bedrijf 1] en de ingangsdatum wordt ter illustratie overgelegd als productie B.
De adviseurs hebben [eiser] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo hebben zij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg geheel verloren kon gaan. Sterker nog, zij hebben haar verzekerd dat dit niet kon gebeuren. Bovendien hebben zij niet gewezen op het risico dat er een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Als [eiser] op deze risico’s was, had zij de Capital Effect overeenkomsten nooit afgesloten.
[eiser] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseurs en hun advies. Om deze reden heeft [eiser] het advies van de adviseurs opgevolgd. De aanvraag voor de Capital Effect overeenkomsten is door de adviseurs in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend bij een tweede bezoek op het kantoor van [bedrijf 1] in [plaats]. Uiteindelijk heft [eiser] twee Capital Effect overeenkomsten van Bank Labouchere afgesloten met een totale vooruitbetaling van NLG 81.859,01.”5.8. [eiser] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 14 augustus 2001 met contractnummer 22504513, voorzien van de tekst:
“Adviseur ATP00958-[bedrijf 1] VOF”,
- een kopie van de overeenkomst van 14 augustus 2001 met contractnummer 24500885, voorzien van de tekst:
“Adviseur ATP00958-[bedrijf 1] VOF”,
- een kopie van een uittreksel van de KvK met als beschrijving van de werkzaamheden van [bedrijf 2] B.V. waarin [bedrijf 1] VOF is ingebracht, ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten: ‘Assurantiebemiddeling, bemiddeling financieringen, pensioenen, hypotheken e.d., boekhoudingen en belastingadviezen’,
- kopieën van pagina’s van de verzekeringspolis van Woudsend Verzekeringen met vermelding van [bedrijf 1].