Uitspraak
1.1. De procedure
- de dagvaarding van 10 december 2024;
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,
- de conclusie van dupliek in reconventie.
2.2. De feiten
3.De vordering en het verweer in conventie en in reconventie
4.Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventiealgemeen4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [gedaagde].
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [gedaagde] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
dat [gedaagde] nog een geldbedrag over had van de erfenis van zijn overleden moeder. Voorts gaf [gedaagde] aan ook als wens te hebben om vermogen op te bouwen voor zijn twee kinderen; zijn stiefzoontje en pasgeboren dochter. [gedaagde] wilde graag vermogen opbouwen om te zijner tijd hun studies te kunnen betalen. De adviseur gaf [gedaagde] wederom aan dat hij een geschikt product kon adviseren om het doel van [gedaagde] te kunnen verwezenlijken.
- een kopie van het aanvraagformulier van op naam van [gedaagde], waarop een stempel is geplaatst met de tekst
“[bedrijf]
(…)”en ATP-nummer 71 is ingevuld,
“Adviseur: ATP00071-[bedrijf]”,
‘bemiddeling bij (…) leaseconstructies, (…) advies en organisatieburo’.
- dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
- dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
- dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
- dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
€ 135,00