AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit gedeeltelijke openbaarmaking WODC-rapport Jehovah’s Getuigen
De Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van bestuur van de Universiteit Utrecht om slechts gedeeltelijk informatie openbaar te maken over het WODC-rapport over seksueel misbruik binnen hun gemeenschap. Het verzoek betrof onder meer ruwe onderzoeksdata, gespreksverslagen en correspondentie.
De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de zoekslag naar documenten is uitgevoerd, waardoor het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is geschonden. Tevens is vastgesteld dat bepaalde documenten ten onrechte buiten de reikwijdte van het verzoek zijn geplaatst. De rechtbank bevestigt dat onderzoeksgegevens met een louter wetenschappelijk oogmerk niet onder de Woo vallen.
Verder is geoordeeld dat het college terecht informatie heeft geweigerd ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van respondenten en onderzoekers, en ter bescherming van het goed functioneren van het bestuursorgaan. De weigering van openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen is grotendeels terecht, maar op enkele passages onvoldoende gemotiveerd. De weigering op grond van concurrentiegevoelige informatie is deels onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank wijst het beroep tegen het besluit van 3 september 2021 af wegens gebrek aan belang, verklaart het beroep tegen het besluit van 10 september 2024 gegrond, vernietigt dit besluit en draagt het college op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt een schadevergoeding van €3.500,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het besluit van 10 september 2024 wordt vernietigd en het college moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Voetnoten
1.Zie artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.
2.Zie artikel 10.1 van de Woo.
3.Zie artikel 4.1, eerste lid, van de Woo.
4.Zie artikel 2.5 van de Woo.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:133. 7.Zoals bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
9.Zoals bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
10.Zie
12.Zie
13.Zie
14.Zie artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.
16.Zie artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.
17.Zie
19.Zoals bedoeld in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.
20.Zie de paragrafen 4.4.2 en 4.3.2.5. van het WODC-rapport.
21.Zie paragraaf 5.4.4. van het WODC-rapport.
22.Zie de paragrafen 4.4.2. en 4.3.2.5 van het WODC-rapport.
24.Zie artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo.
29.Zoals bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
30.Zie artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.
31.Zie artikel 5.2, tweede lid, van de Woo.
34.Zie artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
35.Zie artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo.
37.Zie artikel 5.3 van de Woo.
38.Zoals bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
39.Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) van 24 september 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0924JUD003939398.
40.Eiseres verwijst naar een Expert Opinion van H. Folk, M. Introvigne en J. Gordon Melton.
42.Zie het arrest van het ERHM van 8 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD001803011.