In deze pachtzaak vordert de verpachter de ontbinding van de pachtovereenkomst met de pachter, omdat deze het gepachte perceel landbouwgrond al jaren niet meer persoonlijk gebruikt. De pachter heeft het gebruik overgedragen aan zijn zonen, die het bedrijf voortzetten. De pachtkamer oordeelt dat persoonlijk gebruik door de pachter een wezenlijke verplichting is en dat het langdurig ontbreken daarvan een tekortkoming vormt die ontbinding rechtvaardigt.
De rechtbank stelt vast dat de pachter sinds 2015 door ziekte niet meer in staat is het bedrijf te runnen en dat zijn zonen het gebruik feitelijk hebben overgenomen. De verpachter was niet formeel op de hoogte van deze situatie en heeft ook nooit ingestemd met indeplaatsstelling van de zonen. De tegenvordering van de pachter om zijn zonen als opvolgers te erkennen wordt afgewezen wegens te late indiening en onvoldoende onderbouwing.
De pachtkamer ontbindt de overeenkomst per datum vonnis, beveelt ontruiming van het perceel uiterlijk 1 januari 2026 en legt een dwangsom op bij niet-naleving. Proceskosten worden aan de zijde van de verpachter toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.