ECLI:NL:RBOBR:2026:3661

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
11587816 25-1329
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige effectenleaseovereenkomsten met Dexia en volledige schadevergoeding

Eiser heeft in 1999 en 2000 effectenleaseovereenkomsten gesloten met Dexia via een tussenpersoon zonder vergunning. Na beëindiging van de overeenkomsten leed eiser verlies door restschulden en waardedaling van aandelen. Eiser vordert volledige schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van Dexia.

De rechtbank sluit aan bij bestaande jurisprudentie en oordeelt dat Dexia haar zorgplicht, met name de waarschuwingsplicht, heeft geschonden. Dexia had moeten weten dat de tussenpersoon zonder vergunning persoonlijk advies gaf, wat onrechtmatig is. Eiser heeft voldoende onderbouwd dat sprake was van vergunningplichtige advisering en Dexia heeft dit onvoldoende betwist.

De schade wordt vastgesteld op €10.763,58, inclusief verrekening van ontvangen dividenden en fiscale voordelen. De vordering tot afgifte van aanvraagformulieren wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. Het incidentele verzoek van Dexia om inzage in intakeformulieren wordt eveneens afgewezen vanwege het vertrouwelijke karakter van de informatie.

Dexia wordt veroordeeld tot betaling van de schade, wettelijke rente en proceskosten. De vorderingen van Dexia worden afgewezen. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen hun eigen kosten, behalve Dexia die de proceskosten van eiser moet vergoeden.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding van €10.763,58 met wettelijke rente en proceskosten aan eiser wegens onrechtmatig handelen via een niet-vergunde tussenpersoon.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11587816 25-1329
vonnis van de kantonrechter van 30 april 2026
in de zaak van
de heer [eiser] ,
wonende [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.
Partijen worden hierna [eiser] en Dexia genoemd.

1.Kern van de zaak

1.1.
[eiser] heeft in 1999 via een tussenpersoon een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Deze overeenkomst wordt hierna aangeduid als overeenkomst I. Wijlen mevrouw [overledene] (hierna: [overledene] ) heeft in 2000 via een tussenpersoon een effectenleaseovereenkomst gesloten met de rechtsvoorganger van Dexia. Deze overeenkomst wordt hierna aangeduid als overeenkomst II. [eiser] zet de procedure mede in hoedanigheid van nabestaande en erfgenaam voort.
De overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. [eiser] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eiser] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en), of na tussentijdse beëindiging van de overeenkomsten, werden de aandelen verkocht en moest [eiser] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eiser] verlies heeft geleden op de overeenkomsten. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eiser] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eiser] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met het verzoek ex artikel 194 Rv Pro;
  • de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, tevens conclusie van antwoord in het incident;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.3. De feiten

3.1.
[eiser] heeft de volgende leaseovereenkomsten (verder: de overeenkomsten) ondertekend waarop hij, dan wel wijlen mevrouw [overledene] , als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[nummer 1]
11-06-1999
Capital Effect
II.
[nummer 2]
25-08-2000
Capital Effect
3.2.
De overeenkomsten zijn op verzoek van [eiser] in 2005 tussentijds beëindigd. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening (koers per)
Resultaat
Betaald
I.
13-02-2006
€ 383,33
Ja, door Dexia
II.
12-09-2005
-€ 2.224,22
Ja, door [eiser]
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [eiser] op grond van de overeenkomst I – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 16.394,40 aan leasetermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser] € 3.253,70 aan dividenden en claims ontvangen en € 2.456,24 aan fiscaal voordeel genoten.
3.4.
Volgens opgave van Dexia heeft [eiser] op grond van de overeenkomst II – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 5.513,11 aan leasetermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser] € 1.163,13 aan dividenden en claims ontvangen en € 508,49 aan fiscaal voordeel genoten.
3.5.
In 2012 heeft Dexia op grond van het HOF-model met betrekking tot overeenkomst I een bedrag van € 8.365,00 aan restschuld met rente vergoed. Met betrekking tot overeenkomst II heeft Dexia een bedrag van € 1.963,21 vergoed aan restschuld met rente.
3.6.
De gemachtigde van [eiser] , Leaseproces, heeft bij brieven van 20 januari 2006 en 25 januari 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

4.De vorderingen en het verweer in de hoofdzaak en in het incident

4.1.
[eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in de hoofdzaak:
 Dexia zal veroordelen om [eiser] en afschriften te verstrekken van de aanvraagformulieren,
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en [overledene] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 voor recht zal verklaren dat [eiser] en [overledene] en iedere erfgenaam van [overledene] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser] van al datgene dat [eiser] en [overledene] aan Dexia hebben betaald onder de overeenkomst(en), vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser] , met rente,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident:
 [eiser] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier,
in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten met nummers [nummer 1] en [nummer 2] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [eiser] verschuldigd is,
 [eiser] zal veroordelen in de proceskosten in conventie en in reconventie.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingeni
n conventie en in reconventie in de hoofdzaak en het verzoek in het incidentalgemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser] .
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[eiser] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
5.5.
[eiser] en [overledene] hebben de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [A] B.V. (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548, onder het kopje ‘Tot slot’), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser] en [overledene] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon hen, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.7.
[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende, waarbij [eiser] en wijlen [overledene] gezamenlijk worden aangeduid als [eiser] c.s.
Ten aanzien van Capital Effect [nummer 1]
[eiser] c.s. werd door een financieel adviseur van [A] aan de deur benaderd. De adviseur stelde voor om de financiële situatie van [eiser] c.s. door te nemen. Tijdens het gesprek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser] c.s. er is met de adviseur gesproken over het inkomen en het werk van [eiser] c.s. en de wens om op een betere manier te sparen en het pensioen aan te vullen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om deze doelen te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist.
De adviseur adviseerde [eiser] om een Capital Effect product van Bank Labouchere af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 450, -. Er is met de adviseur gekeken naar welk bedrag [eiser] maandelijks kon missen en de adviseur heeft vervolgens het product Capital Effect voorgesteld. Op deze wijze zou [eiser] c.s. volgens de adviseur een aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eiser] c.s. op een betere manier kon sparen. De adviseur heeft zijn verhaal aan de hand van rekenvoorbeelden ondersteund. [eiser] heeft een Capital Effect product van Bank Labouchere afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 451,60.
Ten aanzien van Capital Effect [nummer 2]
Ongeveer een jaar later werd [eiser] c.s. door dezelfde adviseur benaderd. De adviseur stelde voor om te bespreken hoe het er nu voor stond. De adviseur was vanwege het eerdere contact al volledig op de hoogte van de financiële situatie van [eiser] c.s. Er is gesproken over de wens van [eiser] c.s.om het pensioen nog meer aan te vullen. De adviseur gaf aan dat dit mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur adviseerde [overledene] om een Capital Effect product van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 12.000, -. De vooruitbetaling betrof een deel van het spaargeld van [eiser] c.s. De adviseur gaf aan dat het goed ging met de aandelen van het eerder afgesloten contract, waardoor [overledene] volgens de adviseur nu het beste het spaargeld kon gebruiken voor een nieuw Capital Effect product.
Ten aanzien van beiden
De adviseur heeft [eiser] c.s. niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Als [eiser] c.s. op deze risico’s gewezen was had hij de effectenleaseovereenkomsten nooit afgesloten.
[eiser] c.s. had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en op zijn advies. De aanvraag voor de Capital Effect product leaseovereenkomsten is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend.
Het opvolgen van het advies heeft voor [eiser] c.s. desastreus uitgepakt. In plaats van het voorgespiegelde vermogen dat zou worden opgebouwd, is [eiser] c.s. de betaalde inleg nagenoeg geheel kwijtgeraakt ten aanzien van de Capital Effect overeenkomst met contractnummer [nummer 1] . [overledene] heeft een restschuld aan de Capital Effect overeenkomst met contractnummer [nummer 2] overgehouden. De restschuld is door haar betaald.
5.8.
[eiser] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst met contractnummer [nummer 1] , voorzien van de tekst:
“Adviseur [nummer 3] - [A] B.V.”;
- een kopie van de overeenkomst met contractnummer [nummer 2] , voorzien van de tekst:
“Adviseur [nummer 3] - [A] B.V.”;
- een kopie van een uittreksel van de KvK van de inmiddels ontbonden rechtspersoon [A] B.V. met als beschrijving van de werkzaamheden
‘Bemiddeling bij het afsluiten van verzekerings- en financiële produkten. Aan- en verkoop van effecten”.
- het aanvraagformulier Bank Labouchere Capital Effect met de gegevens van mevrouw [overledene] en een stempel van [A] en ingevuld achter de vermelding: “naam adviseur” de naam van [F] (en ingevuld achter ATP nummer: “ [nummer 3] ”)
- een brief van mr. [B] van 10 november 2022, betreft: ‘
Dexia uitspraken in ATP zaken.’
-de verklaring van [C] directeur/enig aandeelhouder van [A] B.V. (vanaf 8 januari 1998);
- de verklaring van [D] , oud werknemer van [A] B.V.;
- verklaring van [E] , financieel adviseur bij [A] B.V;
- 4 vonnissen in zaken tussen Dexia en afnemers waarbij [A] als tussenpersoon betrokken was en de kantonrechter heeft beslist dat zij een specifiek op de persoon van de afnemer gericht financieel advies heeft uitgebracht.
5.9.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon maar dit niet is komen vast te staan;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.10.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] [5] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eiser] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiser] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] c.s. en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiser] c.s. en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.11.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eiser] c.s. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomsten met [eiser] c.s. kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eiser] c.s. voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia5.12. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser] c.s. de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eiser] c.s. onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser] c.s. omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [6] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eiser]5.13. De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] c.s. heeft gehandeld door [eiser] c.s. als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] c.s. niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] c.s. tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.14.
De als gevolg hiervan door [eiser] c.s. geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen). Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen en fiscale voordelen. Ook dient rekening te worden gehouden met de betalingen die Dexia naar aanleiding van de eindafrekeningen aan [eiser] c.s. heeft verricht (opbrengst eindafrekening). Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiser] niet is betwist. [eiser] heeft zijn schade berekend op € 15.267,36. Deze berekening is volgens Dexia onjuist. Zij stelt dat uit het financiële overzicht blijkt dat Dexia in december 2024 een buitengerechtelijke onverplichte uitkering heeft verricht ter hoogte van € 8.365,00. Volgens Dexia bestond dit bedrag voor € 4.245,00 uit rente, zodat een bedrag van € 4.120,00 nog in mindering strekt op de schade van [eiser] . Daarnaast wijst zij erop dat [eiser] ten onrechte de uitkering op Overeenkomst 1 niet heeft meegenomen in de begroting van de schade. Volgens Dexia bedraagt de daadwerkelijke schade van [eiser] dan ook € 10.763,58.
In reactie daarop heeft [eiser] aangevoerd dat het, zonder berekening, voor haar niet mogelijk is om te controleren of de uitkering van Dexia ter hoogte van € 8.365,00 voor
€ 4.245,00 aan rente bestond en voor € 4.120,00 aan schade. Zij betoogt dat deze onverplichte uitkering van Dexia daarom in mindering dient te worden gebracht op het schadebedrag inclusief wettelijke rente.
De kantonrechter oordeelt dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de stellingen Van Dexia op dit punt en er daarom vanuit kan worden gegaan dat de uitkering voor
€ 4.245,00 aan rente bestond. [eiser] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat zijn schade € 10.763,58 bedraagt. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.
De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
5.15.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.16.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
Het verzoek om afgifte van de aanvraagformulieren
5.17.
[eiser] vordert Dexia op te dragen om afschriften te verstrekken van de aanvraagformulieren van de bij Dexia in bezit zijnde overeenkomsten. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat de vordering zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
het incidentele verzoek van Dexia
5.18.
Dexia verzoekt dat [eiser] wordt veroordeeld het intakeformulier aan Dexia te verstrekken waaraan de door Leaseproces ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.19.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.20.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 86,00.
vorderingen Dexia
5.21.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.22.
Omdat [eiser] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten € 100,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de
|beslissing)
Totaal € 910,47
5.23.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.
6. De beslissing
De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser] , tot op heden begroot op € 86,00,
in conventie
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] c.s. heeft gehandeld door [eiser] c.c. als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] c.s. niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] c.s. tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.3.
verklaart voor recht dat [eiser] c.s. schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade, mede ten behoeve van de gemeenschap, aan [eiser] te vergoeden namens zichzelf en als wettelijk erfgenaam en rechtsopvolger van [overledene] ,
6.4.
veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen de schade van € 10.763,58, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.14.,
6.5.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 910,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.6.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.7.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.9.
wijst de vorderingen af,
6.10.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.