Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, een twee-onder-een-kapwoning uit 1988, met een waarde van €351.000 voor het jaar 2023. De heffingsambtenaar onderbouwt de waarde met een taxatierapport en vergelijkingsmethode, waarbij vijf vergelijkingsobjecten in de buurt zijn gebruikt. Eiser voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de staat, ligging en het duurzaamheidsniveau van de woning.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De verschillen in voorzieningen en ligging zijn volgens de rechtbank adequaat verwerkt in de waardematrix. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd om de waarde te verlagen. Wel is geoordeeld dat de heffingsambtenaar de verkoopadvertenties die bij de waardering zijn gebruikt niet tijdig aan eiser heeft verstrekt, wat een schending van de informatieverplichtingen inhoudt.
De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen daarvan, waaronder de vastgestelde waarde, in stand. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht wordt aan hem vergoed. De rechtbank wijst erop dat de vergoedingen alleen op een bankrekening op naam van eiser mogen worden uitbetaald.