De zaak betreft een geschil over effectenleaseovereenkomsten die tussen 1995 en 1998 zijn gesloten tussen Dexia Nederland B.V. en de gedaagde. Dexia vordert een verklaring voor recht dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer verschuldigd is. De gedaagde voert verweer en stelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door het niet naleven van zorgplichten en het inschakelen van een tussenpersoon zonder vergunning.
De rechtbank overweegt dat effectenleaseproducten tussen 1990 en 2003 veelvuldig zijn verkocht en dat er veel jurisprudentie bestaat over de gevolgen van restschulden na het instorten van de aandelenmarkt. De gedaagde heeft tijdig een opt-out ingediend van een collectieve regeling. De rechtbank stelt vast dat Dexia haar waarschuwingsplicht heeft geschonden en daardoor onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor de gedaagde schade heeft geleden bestaande uit betaalde termijnen.
De gedaagde heeft voldoende onderbouwd dat de tussenpersoon vergunningplichtige advisering heeft gegeven en dat Dexia hiervan op de hoogte was of had moeten zijn. Dexia heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij wetenschap had van het persoonlijke advies. De rechtbank wijst het verweer van Dexia af en oordeelt dat Dexia aansprakelijk is voor de schade van de gedaagde.
De rechtbank verklaart voor recht dat Dexia niets meer aan de gedaagde verschuldigd is nadat de schadevergoeding is uitgekeerd conform de berekening van betaalde inleg minus genoten voordelen. De vordering van Dexia met betrekking tot andere overeenkomsten wordt toegewezen. Dexia wordt veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde.