ECLI:NL:RBOVE:2026:24

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
ak_25_367
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing verzoek tot herstel basisregistratie kadaster

In deze uitspraak van de Rechtbank Overijssel wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek tot herstel van een gegeven in de basisregistratie kadaster behandeld. Eiser, eigenaar van een perceel, heeft op 19 april 2024 een verzoek ingediend om een gegeven in de basisregistratie te herstellen, omdat hij meent dat de kadastrale grenzen onjuist zijn weergegeven. De bewaarder van het kadaster heeft dit verzoek op 24 april 2024 afgewezen, en het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing is op 5 december 2024 kennelijk ongegrond verklaard. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld.

De rechtbank oordeelt dat de bewaarder het verzoek van eiser terecht heeft afgewezen, omdat er geen gerede twijfel bestaat over de juistheid van de in de basisregistratie opgenomen gegevens. De rechtbank stelt vast dat de gegevens in de basisregistratie overeenkomen met de brondocumenten, en dat er geen sprake is van een kennelijke misslag. Eiser heeft niet aangetoond dat de bewaarder een fout heeft gemaakt bij de inmeting van de kadastrale grenzen. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten en het door hem betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/367

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats 1]

hierna: [eiser]
(gemachtigde: mr. J.T. Fuller),
en

de bewaarder van het kadaster en de openbare registers

hierna: de bewaarder

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] , uit [woonplaats 2] ,

hierna: [derde belanghebbende]
(gemachtigde: mr. P. Thole).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] tegen de afwijzing van zijn verzoek tot het wijzigen van een gegeven in de basisregistratie kadaster. Het verzoek van [eiser] is door de bewaarder afgewezen en het bezwaar van [eiser] tegen die afwijzing is kennelijk ongegrond verklaard. [eiser] is het niet eens met de afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek van [eiser] .
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bewaarder het verzoek van [eiser] kon afwijzen omdat geen gerede twijfel bestaat over de juistheid van een in de basisregistratie kadaster opgenomen gegeven. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [eiser] heeft op 19 april 2024 een verzoek gedaan tot herstel van een gegeven in de basisregistratie kadaster. De bewaarder heeft dit verzoek met het besluit van 24 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 december 2024 op het bezwaar van eiser is de bewaarder bij de afwijzing van het verzoek gebleven en heeft hij het bezwaar van [eiser] kennelijk ongegrond verklaard.
2.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De bewaarder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [eiser] heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. [eiser] is samen met [naam 1] verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De bewaarder is in persoon van mr. P.A.M. Schamp verschenen en werd vergezeld door landmeetkundig specialist [naam 2] . [derde belanghebbende] heeft niet aan de zitting deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat vooraf is gegaan aan de bestreden besluitvorming
3. [eiser] woont aan de [adres] en is eigenaar van het in geding zijnde perceel kadastraal bekend [gemeente] , [kadastrale aanduidingen 1] . [eiser] heeft eind december 2000 een gedeelte van het perceel, toen geregistreerd als kadastraal bekend [gemeente] , [kadastrale aanduidingen 2] (hierna: [kadastrale aanduidingen 2] ), met een volgens de akte van levering geschatte grootte van in totaal ongeveer 1489 m2 van zijn vader gekocht. Hij heeft het perceel in eigendom verkregen door het inschrijven van een afschrift van de akte van levering in de openbare registers op 28 december 2000 in het register [register] reeks voormalige bewaring Zwolle. Het door hem verworven perceel is daarna vernummerd tot [gemeente] , [kadastrale aanduidingen 1] (hierna: [kadastrale aanduidingen 1] ). Het resterende deel van het eerder onder nummer [kadastrale aanduidingen 2] geregistreerde perceel is daarna vernummerd naar [gemeente] , [kadastrale aanduidingen 3] (hierna: [kadastrale aanduidingen 3] ) en is in eigendom gebleven van [eiser] vader.
3.1.
Naar aanleiding van de overdracht heeft op 28 februari 2001 een aanwijzing in het veld plaatsgevonden waarbij [eiser] , zijn vader en een medewerker van de bewaarder aanwezig waren. Van de aanwijzing is een relaas van bevindingen door de medewerker van de bewaarder opgemaakt. [1] Deze medewerker heeft vervolgens op basis van het relaas van bevindingen veldwerk verricht waarbij hij de brongegevens, zoals de aanwijzing in het relaas van bevindingen en de akte van levering, heeft verwerkt op een kadastrale tekening. Met de meetgegevens die bij het relaas van bevindingen zijn gegenereerd is dus de schematische gevisualiseerde weergave van de geregistreerde grens op een kadastrale kaart geregistreerd. Vervolgens heeft bijhouding van de kadastrale grens in de basisregistratie kadaster plaatsgevonden. Bijhouding van een nieuw te registeren kadastrale grens heeft tot gevolg dat aan de hand van de aangewezen en te registeren kadastrale grens een nieuw perceel wordt gevormd en het betrokken perceel wordt vernummerd. [2]
3.2.
Op verzoek van [derde belanghebbende] ( [eiser] moeder) is op 8 december 2014 een grensreconstructie uitgevoerd van de kadastrale grens tussen de perceelnummers [kadastrale aanduidingen 1] en [kadastrale aanduidingen 3] . Op verzoek van de gemeente Hof van Twente is op 20 april 2023 een grensreconstructie uitgevoerd van de kadastrale grens tussen de perceelnummers [kadastrale aanduidingen 1] en [kadastrale aanduidingen 4] . Op verzoek van [eiser] is op 10 november 2023 is een grensreconstructie uitgevoerd van de kadastrale grens tussen de perceelnummers [kadastrale aanduidingen 1] , [kadastrale aanduidingen 3] , [kadastrale aanduidingen 5] en [kadastrale aanduidingen 4] .
3.3.
[eiser] heeft op 19 april 2024 een verzoek tot herstel in de zin van artikel 7t van de Kadasterwet ingediend. [eiser] heeft daarbij aangegeven dat het perceel [kadastrale aanduidingen 1] onbekend is en de grenzen van dat perceel onjuist op de kaart zijn weergegeven. Het verzoek is door de bewaarder afgewezen omdat de kadastrale grenzen volgens hem juist op de kadastrale kaart zijn weergegeven en er daarom geen sprake is van een onjuiste bijhouding van de basisregistratie kadaster. De kadastrale kaart geeft volgens de bewaarder de kadastrale grenzen weer zoals deze door [eiser] en zijn vader op 28 februari 2001 eensluidend zijn aangewezen. Op basis van de aanwijzing van de nieuwe grenzen en de bestaande grenzen heeft de bewaarder het perceel [gemeente] , [kadastrale aanduidingen 1] gevormd met een vastgestelde grootte van 1575 m2.
3.4.
[eiser] heeft tegen de afwijzing van zijn verzoek van 19 april 2024 bezwaar gemaakt. [eiser] heeft in bezwaar gesteld dat ten onrechte het kadastrale perceel met nummer [kadastrale aanduidingen 1] in de geregistreerde vorm en omvang is ontstaan. Volgens hem is de kadastrale grens tussen de percelen met nummers [kadastrale aanduidingen 1] (van [eiser] ) en [kadastrale aanduidingen 3] (thans van [derde belanghebbende] en overige erven van de vader van [eiser] ) onjuist ingetekend. [eiser] heeft daarover aangevoerd dat de kadastrale grens tussen de percelen [kadastrale aanduidingen 1] en [kadastrale aanduidingen 3] ten onrechte door het hoofdgebouw loopt. Naar zijn mening ligt het gehele hoofdgebouw dat op het moment van de aanwijs aanwezig was op het kadastrale perceel [kadastrale aanduidingen 1] . De schuur gelegen op het zuidwestelijke deel van het perceel [kadastrale aanduidingen 3] , is het enige gebouw dat aan het kadastraal perceel [kadastrale aanduidingen 3] toebehoort.
3.5.
[eiser] heeft in beroep ook aangevoerd dat de erfgrenzen in het noordoosten (bij de [adres] ) en het zuidoosten (de grens met het de huidige percelen [gemeente] , [kadastrale aanduidingen 6] en [kadastrale aanduidingen 7]) van de percelen met nummers [kadastrale aanduidingen 1] en [kadastrale aanduidingen 3] onjuist zijn vastgesteld. [eiser] heeft in zijn verzoek van 19 april 2024 de bewaarder niet verzocht om deze erfgrenzen te herstellen, maar hiervoor heeft hij op 20 november 2024 een (apart) verzoek tot herstel ingediend waarop de bewaarder heeft beslist. Dit verzoek staat in deze procedure verder niet ter discussie.
Op de eerste afbeelding hierna opgenomen geeft de rode omlijning het standpunt van [eiser] weer en de tweede afbeelding geeft de situatie weer zoals die in de basisregistratie kadaster is opgenomen.
[afbeelding]
[afbeelding]
1 2
3.6.
De bewaarder legt aan de afwijzing van het verzoek van 19 april 2024 ten grondslag dat de gegevens in de basisregistratie kadaster overeenkomen met de gegevens in de brondocumenten: de in het kadaster ingeschreven leveringsakte en het relaas van bevindingen opgemaakt op 28 februari 2001. De brondocumenten staan volgens de bewaarder niet meer ter discussie omdat [eiser] noch zijn vader daartegen bezwaar hebben gemaakt. Nu er geen discrepantie bestaat tussen de brondocumenten en de gegevens in de basisregistratie kadaster en er aldus geen sprake is van een kennelijke misslag, is er voor de bewaarder geen aanleiding om op grond van artikel 7t van de Kadasterwet de gegevens in de basisregistratie kadaster te herstellen.
Toetsingskader
4. Artikel 7t, eerste lid, van de Kadasterwet (zoals die wet ten tijde van de bestreden besluitvorming luidde) bepaalt, voor zover hier van belang, dat een belanghebbende, indien hij een gerede twijfel heeft omtrent de juistheid van een in de basisregistratie kadaster opgenomen gegeven dat krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt, onder opgaaf van redenen aan de Dienst [3] een verzoek tot herstel van dat gegeven in de basisregistratie kadaster kan doen. De bewaarder is bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een in de basisregistratie kadaster genoemd gegeven te herstellen. Dat doet de bewaarder op basis van authentieke gegevens.
5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan uit de wetsgeschiedenis van artikel 7t van de Kadasterwet [4] worden afgeleid dat met deze bepaling is beoogd een regeling te bieden voor het op verzoek herstellen van misslagen in de basisregistratie kadaster. [5] Een verzoek tot herstel kan gericht zijn tegen het feit dat de bijwerking zelf onjuist of onvolledig is geschied omdat de bijwerking niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het resultaat, zoals vermeld in de kennisgeving. Het verzoek kan niet gericht zijn tegen het resultaat van de bijwerking, dat aan de belanghebbende is medegedeeld. [6] Daarnaast kan het ook gaan om een discrepantie tussen een brondocument en de basisregistratie kadaster. Het gaat er dan om of de in de basisregistratie kadaster vermelde gegevens berusten op een misslag. Onder een brondocument wordt verstaan een ingeschreven stuk of relaas van bevindingen.
Oordeel rechtbank
6. De rechtbank stelt vast dat de vraag moet worden beantwoord of sprake is van een kennelijke misslag, omdat er sprake is van een verschil tussen de gegevens in het brondocument (het relaas van bevindingen van 28 februari 2001) en de gegevens in de basisregistratie kadaster.
6.1.
[eiser] betwist niet de juistheid van de aanwijs en de inhoud van het relaas van bevindingen van 28 februari 2001. De rechtbank stelt daarom vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat het relaas van bevindingen van 28 februari 2001 een juiste weergave vormt van de aanwijzingen die door [eiser] en zijn vader zijn gedaan, te weten: “verlengde kant muur, 1.50//schuur; 0,6//raster”.
6.2.
In beroep betoogt [eiser] – samengevat – dat de inhoud van het relaas van bevindingen onjuist is geïnterpreteerd en verwerkt in de basisregistratie kadaster. Door de onjuiste lezing door de bewaarder van het relaas van bevindingen is er volgens [eiser] sprake van een verschil tussen de gegevens in het brondocument (het relaas van bevindingen) en de gegevens in de basisregistratie kadaster. Ter zitting heeft hij aan de hand van de tekening uitgelegd wat volgens hem de juiste uitleg van die gegevens zou moeten zijn. Hij wijt de onjuiste lezing van het brondocument aan het feit dat tussen het moment van het opmaken van het relaas van bevindingen en het veldwerk veel tijd is verstreken en voorts aan het feit dat zijn vader en hij niet aanwezig zijn geweest bij het veldwerk dat op 1 mei 2001 heeft plaatsgevonden. Hij is van mening dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet eerder heeft gewezen op de discrepantie omdat de bijwerking in de basisregistratie kadaster hem niet eerder ter kennis is gebracht. [eiser] stelt dat een juiste lezing van het relaas van bevindingen ertoe leidt dat de erfgrens niet door maar rondom het hoofdgebouw loopt dat ten tijde van de aanwijs aanwezig was.
6.3.
De bewaarder heeft dit betwist en toegelicht dat geen twijfel bestaat over de op de veldtekening opgenomen kadastrale grenzen waarmee het hoofdgebouw kadastraal is gesplitst. De bewaarder heeft in dit kader toegelicht dat de juiste lezing van het relaas van bevindingen ertoe leidt dat de erfgrens op 1,5 meter evenwijdig loopt aan de aanwezige schuur en op 0,6 meter van het (op dat moment) aanwezige raster. Op de intekening blijkt dat met deze afstanden rekening is gehouden. De bewaarder heeft in beroep het relaas van bevindingen voorgelegd aan een onafhankelijke landmeter en die heeft dezelfde grenzen vervolgens bepaald zoals die in de basisregistratie kadaster zijn opgenomen. De bewaarder is daarom van mening dat er geen discrepantie bestaat tussen het relaas van bevindingen en de gegevens in de basisregistratie kadaster.
6.4.
De rechtbank stelt vast dat een verzoek alleen moet worden toegewezen als wordt beoordeeld dat de in de basisregistratie kadaster vermelde gegevens berusten op een misslag of dat de bijwerking zelf onjuist of onvolledig is gebeurd omdat de bijwerking niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het resultaat, zoals vermeld in de kennisgeving. Echter, uit de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1449, 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1195, en 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2907, volgt ook dat moet worden beoordeeld of de landmeter een misslag heeft begaan bij de inmeting van de grens van de percelen [kadastrale aanduidingen 1] en [kadastrale aanduidingen 3] overeenkomstig de aanwijs van 28 februari 2001.
6.5.
Het relaas van bevindingen en de veldtekening zijn destijds opgemaakt door landmeter [deskundige]. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat een landmeter die met een meting is belast in beginsel als een deskundige moet worden aangemerkt. [7] Dit betekent dat de rechtbank er in beginsel van mag uitgaan dat de lezing en interpretatie die [deskundige] heeft gemaakt van, en heeft gegeven aan, het relaas van bevindingen juist zijn. Dat leidt er ook toe dat in beginsel ervan mag worden uitgegaan dat er geen discrepantie bestaat tussen het relaas van bevindingen en de gegevens in de basisregistratie kadaster. Dat kan anders zijn als zou blijken dat [deskundige] een evidente misslag heeft begaan zodat de bewaarder niet had mogen afgaan op de van [deskundige] ontvangen informatie.
6.6.
De rechtbank merkt op dat het vervolgens op de weg van [eiser] ligt om aannemelijk te maken dat [deskundige] een misslag bij de inmeting heeft begaan waardoor sprake is van een discrepantie tussen het relaas van bevindingen en de gegevens in de basisregistratie kadaster. [eiser] had dat kunnen doen door het overleggen van een tegenrapport van een andere onafhankelijke deskundige die de lezing van het relaas van bevindingen zoals die door [eiser] wordt gedaan, zou bevestigen. [eiser] heeft een dergelijk deskundigen-tegenrapport niet overgelegd.
6.7.
Vervolgens had [eiser] op andere wijze aannemelijk kunnen maken dat er sprake is van een evidente onjuiste lezing en toepassing/uitleg van het relaas van bevindingen. [eiser] heeft getracht dat doel te bereiken door op verschillende manieren twijfel te zaaien over de lezing van het relaas van bevindingen door [deskundige] en in diens lijn door de bewaarder. De rechtbank is echter niet (voldoende) overtuigd geraakt door de in dat verband door [eiser] gegeven uitgebreide onderbouwing. Daarbij overweegt de rechtbank dat de standpunten van [eiser] niet worden onderbouwd door objectief verifieerbare gegevens die betrekking hebben op de manier waarop tijdens de aanwijs van 28 februari 2001 de grenzen zijn benoemd. De rechtbank begrijpt dat door de beperkte gegevens in het relaas van bevindingen aan de aanwijs een uitleg met verschillende uitkomsten mogelijk is. Dat betekent vervolgens nog niet dat daarom aan de uitleg van [deskundige] – als deskundige en iemand die de taal kent die wordt gebruikt tijdens dergelijke aanwijzingen – afbreuk kan worden gedaan. Omdat het de rechtbank niet is gebleken dat [deskundige] een misslag heeft gemaakt bij de inmeting van de grens tussen de percelen met nummers [kadastrale aanduidingen 1] en [kadastrale aanduidingen 3] overeenkomstig de aanwijs, slaagt het betoog van [eiser] niet.
6.8.
Ook de stelling van [eiser] dat de bedoeling van zijn vader en hem anders is geweest, leidt niet tot de conclusie dat daarom het relaas van bevindingen onjuist is gelezen. Immers is niet gebleken dat die bedoeling, voor zover die zo is geweest als [eiser] heeft gesteld, ook duidelijk is of kan zijn geweest voor [deskundige]. Ook de verwijzing van [eiser] naar het aankoopbedrag van het perceel in relatie tot de waarde van het totale perceel leidt niet tot de conclusie dat er sprake is van een evidente onjuiste lezing van het relaas van bevindingen door [deskundige] en de bewaarder. Voor [deskundige] en de bewaarder hoeven die feiten niet kenbaar dan wel relevant te zijn geweest laat staan de beweegredenen om die aankoopsom overeen te komen.
6.9.
De rechtbank komt het geheel overziende tot het oordeel dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt of heeft aangetoond dat er sprake is geweest van een onjuiste lezing van de aanwijs en [deskundige] daarop een misslag heeft begaan bij de inmeting van de kadastrale grenzen. De bewaarder heeft daarop kunnen overgaan tot bijwerking van de basisregistratie kadaster. Daaruit volgt dat de bewaarder terecht heeft geconcludeerd dat er geen discrepantie bestaat tussen het relaas van bevindingen en er ook geen sprake is geweest van een kennelijke misslag. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bewaarder terecht het verzoek van [eiser] om herstel van een gegeven in de basisregistratie kadaster heeft afgewezen.
6.10.
De rechtbank overweegt voorts nog dat de bewaarder ter zitting heeft toegelicht dat na afloop van de aanwijzing aan [eiser] en zijn vader een kennisgeving van de aanwijzing, vergezeld met het relaas van bevindingen, is toegezonden. Een kadastrale kaart is niet aan [eiser] gestuurd. Vanwege het tijdsverloop en het verstrijken van de bewaartermijn kan thans ook niet meer achterhaald worden of [eiser] destijds een afschrift van de kadastrale kaart heeft ontvangen. Dit laat onverlet dat [eiser] destijds uit zichzelf om inzage had kunnen vragen en vervolgens bezwaar had kunnen maken tegen het besluit tot bijwerking van de kadastrale registratie. Dat [eiser] niet zelf bij de bewaarder het resultaat van de aanwijzing heeft opgevraagd, komt voor zijn rekening en risico. Tenslotte heeft [eiser] in beroep toegelicht dat [derde belanghebbende] in 2014 een grensreconstructie heeft verzocht voor de erfgrenzen tussen de percelen met perceelnummers [kadastrale aanduidingen 1] en [kadastrale aanduidingen 3] . Voor zover [eiser] toen geen kennis heeft genomen of gekregen van de intekening van de kadastrale grenzen, heeft hij daarvan in elk geval kennis wel kennis kunnen nemen toen hij in 2016 door [derde belanghebbende] in een civiele procedure is gedagvaard. [eiser] had eerder op de hoogte moeten en kunnen zijn van het resultaat van de aanwijzing om daartegen (verschoonbaar) rechtsmiddelen tegen aan te wenden. Nu hij dit niet heeft gedaan, is het besluit tot aanwijzing onherroepelijk geworden en kan de inhoud daarvan in deze procedure niet meer ter discussie staan. Het beroep slaagt ook daarom niet.
Kon de bewaarder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaren en daarom afzien van horen?
7. [eiser] voert in beroep aan dat de bewaarder hem ten onrechte niet heeft gehoord naar aanleiding van zijn bezwaar. Volgens [eiser] waren zijn bezwaren voor de bewaarder blijkbaar niet goed duidelijk. Hij had daarom gehoord moeten worden in bezwaar vóórdat de bewaarder op zijn bezwaar kon beslissen.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de bewaarder van het horen van [eiser] heeft mogen afzien. In artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Daarvan is sprake als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing hierover moet worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd. [8]
7.2.
Zoals hiervoor onder 5 is overwogen, kan een verzoek op grond van artikel 7t, eerste lid, van de Kadasterwet niet gericht zijn tegen het resultaat van de bijwerking. Over de gronden in het bezwaarschrift van [eiser] die zich daar wel tegen richtten, was er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat de bezwaren niet konden leiden tot een ander besluit. Ook kon de bewaarder op grond van het bezwaarschrift redelijkerwijs aannemen dat geen sprake was van een misslag bij de inmeting van de erfgrens of van een discrepantie tussen het brondocument en de basisregistratie kadaster. Ook op de overige argumenten die [eiser] heeft aangevoerd en de vragen die hij over het besluit van 24 april 2024 heeft gesteld, heeft de bewaarder in het bestreden besluit van 5 december 2024 gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bewaarder van het horen kunnen afzien omdat dit niet zou bijdragen aan een verduidelijking van de door [eiser] aangevoerde argumenten en gestelde vragen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. [eiser] krijgt het door hem betaalde griffierecht niet terug en ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. van der Weij, griffier, en uitgesproken in het openbaar op
De rechter is niet in de gelegenheid
om de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Relaas van bevindingen van de kadastrale [gemeente] [kadastrale aanduidingen 8].
2.Artikel 72 Kadasterregeling 1994.
3.De Dienst voor het kadaster en de openbare registers als bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster.
5.Zie bijvoorbeeld de Afdeling van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2907, de Afdeling van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1174 en de Afdeling van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3595.
6.Zie bijvoorbeeld de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1668 en de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:827.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6715.
8.Zie bijvoorbeeld de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2642.