Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3379

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
11988443 \ CV EXPL 25-3796
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 195 RvArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige advisering en schadevergoeding bij effectenleaseovereenkomsten

In deze zaak staat centraal of Dexia Nederland B.V. aansprakelijk is voor de schade die [partij A] heeft geleden door effectenleaseovereenkomsten die via de tussenpersoon Spaar Select zijn gesloten. [partij A] stelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren terwijl Dexia behoorde te weten dat Spaar Select hem persoonlijk had geadviseerd zonder de vereiste vergunning.

De rechtbank stelt vast dat Dexia haar bijzondere zorgplichten, waaronder de waarschuwingsplicht, heeft geschonden en daardoor onrechtmatig heeft gehandeld. De stellingen van [partij A] over de advisering door Spaar Select zijn voldoende concreet en worden door Dexia onvoldoende gemotiveerd betwist. Dexia had meer bewijs moeten leveren om het tegendeel aan te tonen.

De rechtbank wijst het verweer van Dexia omtrent verjaring af en oordeelt dat de schade van [partij A], bestaande uit betaalde termijnen en restschuld minus genoten voordelen, volledig voor rekening van Dexia komt. De vorderingen van [partij A] worden toegewezen, waaronder vergoeding van schade en proceskosten. Het incidentele verzoek van Dexia om inzage in het dossier van [partij A] wordt afgewezen. Dexia wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding aan [partij A] wegens onrechtmatig handelen bij effectenleaseovereenkomsten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11988443 \ CV EXPL 25-3796
Vonnis van 26 mei 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats],
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partijen in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.

1.Kern van de zaak

1.1.
[partij A] heeft via Spaar Select twee effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van de overeenkomsten leende [partij A] geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. Aan het einde van de overeenkomsten werden de aandelen verkocht en moest [partij A] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [partij A] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 19 november 2025;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende akte uitlaten producties in conventie.
2.2.
De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren.
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[partij A] heeft de volgende leaseovereenkomsten gesloten, met als wederpartij (Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van) Dexia:
Contractnummer
Datum
Naam overeenkomst
1
[nummer 1]
01-06-2001
Capital Effect
2
[nummer 2]
01-06-2001
Capital effect
3.2.
Nadat [partij A] deze overeenkomsten tussentijds heeft beëindigd, heeft Dexia een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
1
30-03-2005
- € 1.347,13
Ja
2
30-03-2005
- € 3.335,80
Ja
3.3.
Volgens het financieel overzicht van Dexia heeft [partij A] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van
€ 9.720,51 aan maandtermijnen en een bedrag van € 4.682,93 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens hetzelfde overzicht heeft [partij A] € 1.338,48 aan dividenden ontvangen en € 347,55 aan fiscaal voordeel genoten. Op 30 april 2024 heeft Dexia een bedrag van € 18.628,93 aan [partij A] uitbetaald, in het financieel overzicht van Dexia vermeld als ‘onverplichte uitbetaling’.
3.4.
De gemachtigde van [partij A], Leaseproces, heeft bij brief van 15 februari 2008 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. In de brief wordt ook het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
4. De vorderingen en het verweer in de hoofdzaak in conventie, in reconventie en in het incident
4.1.
[partij A] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [partij A];
  • voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
  • Dexia zal veroordelen om de schade die [partij A] door het onrechtmatig handelen van Dexia heeft geleden, te vergoeden en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Dexia te voldoen al hetgeen [partij A] heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van [partij A], vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
Dexia voert verweer en concludeert in conventie tot afwijzing van de vorderingen van [partij A]. Het verweer mondt uit in een incidentele vordering en een tegenvordering, waarbij Dexia (samengevat) vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [partij A] gesloten overeenkomsten met nummers [nummer 2] en [nummer 1] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [partij A] is verschuldigd;
  • [partij A] ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces, namens [partij A], in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend;
  • [partij A] zowel in conventie als in reconventie zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover dat nodig is voor de beslissing van de kantonrechter, nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in het incident
Algemeen
5.1.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A].
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking van de jurisprudentie rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van de jurisprudentie leidt in dit geval tot de volgende conclusies:
  • er is sprake van huurkoop;
  • er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden, evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
  • Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
  • [partij A] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
  • er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade van Schoulsen de onrechtmatige daad van Dexia.
Verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
Tussenpersoon
5.5.
Schoulsheeft de overeenkomst met Dexia gesloten via de tussenpersoon
Spaar Select. Tussen partijen is niet in geschil dat deze tussenpersoon niet beschikten over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022, [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven.
5.6.
Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar toenmalig geldend Europees recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021, [4]
dat heeft geleid tot de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019, [5] toegelicht dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is in deze zaak geen reden om anders te oordelen.
5.7.
De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.8.
De stelplicht en bewijslast dat Spaar Select [partij A] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat Spaar Select [partij A] anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
5.9.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij A] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.10.
[partij A] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende. Hij is in contact gekomen met Spaar Select en er heeft een huisbezoek plaatsgevonden om zijn financiële situatie door te nemen met een medewerker van Spaar Select. De medewerker heeft tijdens het gesprek geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [partij A]. Er is gesproken over zijn spaargeld en zijn wens om vermogen op te bouwen voor de toekomst en de medewerker gaf aan dat hij een geschikt product wist om deze doelen te verwezenlijken. Het advies van de medewerker was vervolgens om twee Capital Effect overeenkomsten van Bank Labouchere af te sluiten, waarvan één met een maandbetaling van ongeveer
NLG 300,00 (waarvoor [partij A] zijn salaris diende aan te wenden) en één met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 7.300,00 (waarvoor [partij A] zijn spaargeld diende aan te wenden). De medewerker gaf aan dat [partij A] op deze wijze aanzienlijk vermogen zou opbouwen voor de toekomst en middels de Capital Effect overeenkomsten meer vermogen zou kunnen opbouwen dan via een reguliere spaarrekening. De medewerker heeft zijn advies onderbouwd met prognosevoorbeelden, waarin alleen rekening werd gehouden met positieve rendementen. [partij A] heeft toegelicht dat hij de voorbeelden niet kan overleggen, omdat de medewerker deze aan het einde van het gesprek meegenomen heeft.
[partij A] stelt dat de medewerker hem niet heeft geïnformeerd over de specifieke risico’s, er niet op heeft gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg verloren kon gaan en een schuld kon ontstaan uit hoofde van de overeenkomsten. Als hij op deze risico’s was gewezen, had hij de Capital Effect overeenkomsten nooit afgesloten, aldus [partij A].
[partij A] voert aan dat hij geen ervaring had met beleggen of kennis had van complexe financiële producten en daarom op de deskundigheid van de medewerker vertrouwde en diens advies opvolgde. De aanvragen zijn door de medewerker in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend, aldus [partij A]. In lijn met het advies heeft hij twee Capital Effect overeenkomsten, één met een maandelijkse termijn van NLG 299,55 en één met een vooruitbetaling van NLG 7.342,32 met Bank Labouchere afgesloten.
Tot slot heeft [partij A] aangevoerd dat het advies van de medewerker desastreus voor hem heeft uitgepakt, want in plaats van het vermogen dat zou worden opgebouwd, is hij de betaalde inleg kwijtgeraakt en heeft hij een restschuld aan de overeenkomsten overgehouden, die hij heeft betaald.
5.11.
[partij A] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • een kopie van de Capital Effect overeenkomst met nummer [nummer 1] van 1 juni 2001, op naam van [partij A] met vermelding van een de lease-som van
  • een kopie van het aanvraagformulier voor een Capital Effect overeenkomst met een maandbetaling van NLG 300,00, op papier met rechtsboven het logo van Spaar Select, op naam van [partij A] met vermelding van [naam] als adviseur en het ATP-nummer [nummer 3];
  • een kopie van de Capital Effect overeenkomst met nummer [nummer 2] van 1 juni 2001, op naam van [partij A] met vermelding van een de lease-som van
Aanhoudingsverzoek
5.12.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de door haar zo genoemde ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.13.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
Advisering
5.14.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij A] met zijn feitelijke uiteenzetting en stukken voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. De stellingen van [partij A] hoe Spaar Select in zijn geval gehandeld heeft, sluiten ook aan bij de gebruikelijke werkwijze van tussenpersonen. Dexia heeft daartegenover de door [partij A] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen en zonder onderbouwing betwist. Zij had meer concreet moeten aanvoeren en toelichten waarom destijds volgens haar in dit specifieke geval geen sprake is geweest van advisering. Zo had zij moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomsten in haar visie (en in afwijking van de gebruikelijke werkwijze) tot stand waren gekomen. Wat Dexia daarover heeft aangevoerd, is tegenover de stellingen van [partij A] onvoldoende. Dexia heeft er weliswaar op gewezen dat zij op geen enkele manier betrokken is geweest bij het contact tussen [partij A] en Spaar Select, maar dat kan haar niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dit voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij (zoals hiervoor overwogen) eerder bewijs kunnen verzamelen, daarbij komt dat zij destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van Spaar Select voor de afzet van haar producten, terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van deze tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om controle daarop uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een overeenkomst en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. [6] Doordat Dexia de door [partij A] geschetste gang van zaken onvoldoende heeft weersproken en de stellingen van [partij A] in lijn zijn met de gebruikelijke werkwijze van tussenpersonen, wordt van de juistheid van zijn relaas uitgegaan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
Wetenschap Dexia
5.15.
[partij A] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten dat Spaar Select een op de persoon van [partij A] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Alhoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Spaar Select aan [partij A], had Dexia behoren te weten dat [partij A] door Spaar Select is geadviseerd. [7]
Aansprakelijkheid Dexia
5.16.
Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [partij A] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [8] Er kunnen situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van [partij A] te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
Vorderingen van [partij A]
5.17.
De door [partij A] gevorderde verklaring voor recht zal gelet op het voorgaande worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat Spaar Select [partij A] niet alleen als klant aanbracht maar hem ook persoonlijk had geadviseerd en daarvoor geen vergunning bezat. De verklaring voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en Dexia gehouden is de schade te vergoeden, zal ook worden toegewezen.
Schade
5.18.
Zoals hiervoor is geoordeeld, komt de schade voor rekening van Dexia. De door [partij A] geleden schade is door partijen in de processtukken besproken. [partij A] heeft zijn schade berekend op € 12.717,41, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dexia heeft gewezen op het bedrag van € 18.628,93 dat zij in april 2024 aan [partij A] als ‘onverplichte uitkering’ heeft betaald. Dexia stelt zich op het standpunt dat dit bedrag voor € 9.269,93 uit rente bestaat zodat € 9.359,00 in mindering strekt op de schade van SchoulsSchouls. Volgens Dexia bedraagt de daadwerkelijke schade van [partij A] daarmee € 3.358,41. [partij A] betwist niet dat hij € 18.628,93 heeft ontvangen, maar weerspreekt dat daarvan € 9.269,93 rente is.
5.19.
De kantonrechter overweegt als volgt. Zoals [partij A] heeft aangevoerd, heeft Dexia de opbouw van het door haar uitgekeerde bedrag niet toegelicht en ook niet onderbouwd. Weliswaar staat in het als productie 1 door Dexia overgelegde financiële overzicht in de kolom ‘onverplichte uitbetaling’ een bedrag van € 9.269,93 aan wettelijke rente, maar dat is gelet op de betwisting van [partij A] onvoldoende. Het had op de weg van Dexia gelegen haar renteberekening inzichtelijk te maken. Dat betekent dat de kantonrechter ervan moet uitgaan dat de schadeberekening van [partij A] klopt.
5.20.
De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door [partij A] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht, waarvan de juistheid door [partij A] – behoudens het bedrag van de ‘onverplichte uitbetaling’ – niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval al eerder een schadevergoeding door Dexia aan [partij A] is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2021. [9] De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in Hoge Raad 1 mei 2015 en Hoge Raad 3 februari 2017. [10]
Op deze uitkomst strekt vervolgens in mindering het door Dexia betaalde bedrag van
€ 18.628,93
5.21.
[partij A] heeft een vordering ingesteld tot vergoeding van zijn buitengerechtelijke incassokosten. Dit zal worden afgewezen aangezien niet gebleken is dat er in dit geval meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan de werkzaamheden genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. [11]
5.22.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [partij A] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
Incidentele vordering ex 195 Rv van Dexia
5.23.
Dexia vordert dat [partij A] wordt veroordeeld om aan haar ex artikel 195 Rv Pro een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend.
5.24.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [partij A] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces zijn terechtgekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld nog gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dit geval van de beroepsoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.25.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden tot op heden begroot op € 82.00.
De door Dexia gevorderde verklaring voor recht
5.26.
Gelet op de voorgaande beoordeling, zal ook de reconventionele vordering van Dexia om voor recht te verklaren dat zij met betrekking tot de tussen [partij A] en haar gesloten overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [partij A] is verschuldigd, worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.27.
Omdat [partij A] grotendeels inhoudelijk gelijk zal krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [partij A] gevallen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 732,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 100,00(plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.552,47
5.28.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A], tot op heden begroot op
€ 82,00;
in conventie
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat Spaar Select [partij A] niet alleen als klant aanbracht, maar [partij A] ook persoonlijk had geadviseerd en Spaar Select geen vergunning daarvoor bezat;
6.4.
verklaart voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
6.5.
veroordeelt Dexia om aan [partij A] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, een en ander zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.20;
6.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] van € 1.552,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
6.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.10.
wijst de vordering af;
6.11.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A], tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:20 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
6.Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
7.Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
8.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
10.ECLI:NL: HR:2015:1198 en ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3.