ECLI:NL:RBOVE:2026:848

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
AK_25_1006
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 8:73 AwbArt. 8:88 AwbArt. 1:3 AwbArt. V, tweede lid, Wns
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep inzake inzage persoonsgegevens in Fraude Signalering Voorziening

Eiseres verzocht de minister om inzage in haar persoonsgegevens die zijn opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). De minister verstrekte een overzicht van deze gegevens en verklaarde het bezwaar van eiseres ongegrond. Eiseres stelde dat het besluit onzorgvuldig was en dat haar persoonsgegevens ten onrechte met derden waren gedeeld. Tevens verzocht zij om een schadevergoeding.

De rechtbank oordeelt dat de minister volledig aan het inzageverzoek heeft voldaan en dat eiseres onvoldoende heeft gemotiveerd welke informatie ontbreekt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezeggingen zijn gedaan die een gerechtvaardigd vertrouwen wekken dat persoonsgegevens met derden zijn gedeeld. De rechtbank is bovendien onbevoegd om kennis te nemen van het schadeverzoek, omdat de verwerking van persoonsgegevens een feitelijke handeling betreft waartegen geen bestuursrechtelijk beroep openstaat.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten. De rechtbank wijst erop dat eiseres tegen deze uitspraak hoger beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit inzake inzage in persoonsgegevens in de FSV wordt ongegrond verklaard en de rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van het schadeverzoek.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1006

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] ,

hierna: [eiseres]
(gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt),
en

De minister van Financiën,

hierna: de minister
(gemachtigde: mr. F. Huizenga).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister op het verzoek van [eiseres] om inzage in haar persoonsgegevens die zijn opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV). [eiseres] is het niet eens met dat besluit. Zij stelt dat de minister onvolledig en onzorgvuldig op haar verzoek heeft beslist en haar persoonsgegevens ten onrechte met derden zijn gedeeld. De minister heeft het bezwaar van [eiseres] kennelijk ongegrond verklaard. [eiseres] is het niet eens met de beslissing op het bezwaar en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Daarbij heeft [eiseres] de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de door [eiseres] bestreden beslissing en het verzoek om schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister volledig aan het inzageverzoek van [eiseres] heeft voldaan. [eiseres] heeft onvoldoende gesteld welke informatie de minister niet aan haar heeft verstrekt. Daarom is niet gebleken dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Daarnaast is het vertrouwensbeginsel niet geschonden omdat de uitlatingen van de minister niet als een toezegging kunnen worden gekwalificeerd. Tot slot is de rechtbank onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.
1.2.
[eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank is onbevoegd om van het schadeverzoek kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 30 september 2021 heeft [eiseres] verzocht om inzage in haar persoonsgegevens in de Fraude Signaleringvoorziening (FSV). De minister heeft op 26 november 2021 het inzageverzoek toegewezen en aan [eiseres] een overzicht van haar persoonsgegevens in de FSV toegestuurd. [eiseres] heeft naar aanleiding van het besluit van 26 november 2021 per
e-mailbericht van 3 december 2021 gemeld dat ontbreekt of haar persoonsgegevens met derden zijn gedeeld en ook heeft zij meerdere vragen gesteld over de inhoud van het besluit. Met het primaire besluit van 11 maart 2022 heeft de minister op de vragen van [eiseres] gereageerd en (opnieuw) op het inzageverzoek beslist. Tegen dit besluit heeft [eiseres] op 22 maart 2022 bezwaar ingesteld.
2.1.
Met het bestreden besluit van 14 februari 2025 heeft de minister op het bezwaar van [eiseres] beslist en haar bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
2.2.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep tegelijk met de procedure bekend onder nummer ZWO 25/1512 op 9 januari 2026 op zitting behandeld. [eiseres] , haar gemachtigde en
[naam 1] hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Namens de minister is zijn gemachtigde en [naam 2] verschenen.

Wat aan het beroep vooraf ging

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. [eiseres] is het niet eens met het primaire besluit en heeft in bezwaar aangevoerd dat de minister haar verzoek onzorgvuldig heeft behandeld omdat hij [eiseres] niet heeft betrokken bij de afhandeling van haar inzageverzoek. Ook stelt [eiseres] dat de minister heeft nagelaten documenten te gebruiken die van belang zijn voor de beoordeling van haar inzageverzoek. Daarbij stelt zij dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat zij toezeggingen van medewerkers van de Belastingdienst en een ambtenaar van de gemeente Enschede heeft ontvangen die achteraf niet juist bleken en de minister heeft nagelaten daarop te handelen. Tot slot heeft [eiseres] in bezwaar aangevoerd dat zij door de verwerking van haar persoonsgegevens in de FSV aantoonbaar schade heeft geleden. [eiseres] heeft de minister verzocht om het primaire besluit te herzien en [eiseres] in aanmerking te brengen voor een vergoeding in het kader van de FSV-compensatieregeling. Daarnaast heeft [eiseres] de minister verzocht opnieuw haar schadeverzoek te beoordelen en daarop te beslissen.
3.1.
De minister heeft in het bestreden besluit de bezwaren van [eiseres] kennelijk ongegrond verklaard. Volgens de minister heeft hij aan [eiseres] een volledig overzicht, in begrijpelijke vorm, van alle persoonsgegevens verstrekt en volgt uit artikel 15 van Pro de AVG geen verplichting om een afschrift te verkrijgen van het originele document of van het bestand waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt. De minister heeft verder aan [eiseres] drie stukken verstrekt die tijdens de behandeling van het bezwaar zijn aangetroffen in het Toeslagen Verstrekkingen Systeem (hierna: TVS). De minister heeft toegelicht dat uit deze stukken volgt dat de toezichtactie in april 2010 betrekking had op de kinderopvangtoeslag 2008 en dat er door [eiseres] kennelijk niet was gereageerd op informatieverzoeken om bewijsstukken toe te sturen. De bewijsstukken zijn door de minister opgevraagd om het recht op kinderopvangtoeslag over 2008 alsook de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. De minister is daarom van mening dat hij het inzageverzoek niet onzorgvuldig heeft behandeld.
3.2.
De minister stelt zich verder op het standpunt dat hij volledige inzage heeft gegeven in de verwerking van de persoonsgegevens van [eiseres] in de FSV en hij, zoals hij in een (herhaald) besluit van 27 januari 2023 en de afsluitende brief van 22 juli 2023 nogmaals aan [eiseres] heeft bevestigd, geen persoonsgegevens aan derden heeft verstrekt. Uit de brief van de gemeente Enschede die [eiseres] in bezwaar heeft overgelegd, volgt volgens de minister evident dat de gemeente Enschede een datalek heeft veroorzaakt door mogelijk de persoonsgegevens van [eiseres] te verstrekken aan een derde. Uit de brief van de gemeente Enschede blijkt niet dat deze persoonsgegevens door de Dienst Toeslagen of de Belastingdienst zijn verstrekt.
3.3.
Voor zover [eiseres] heeft gesteld dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, stelt de minister zich op het standpunt dat uit het gespreksverslag van 23 augustus 2023 – dat door [eiseres] in bezwaar aan de minister is overgelegd – niet volgt dat een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt. Twee medewerkers van de Belastingdienst hebben [eiseres] weliswaar geadviseerd (opnieuw) een onderbouwd schadeverzoek in te dienen, maar daarbij hebben zij geen (positieve) uitslag op het schadeverzoek toegezegd. Evenmin hebben zij aangegeven dat de persoonsgegevens van [eiseres] uit de FSV zijn gedeeld met derden. Van een toezegging en een gerechtvaardigd opgewekt vertrouwen is volgens de minister geen sprake.

Beoordeling van het beroep

4. [eiseres] stelt in beroep dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat niet alle relevante documenten zijn betrokken bij de besluitvorming. De tijdens de bezwaarprocedure aangetroffen stukken vormen een indicatie dat de minister een onzorgvuldig dossier heeft opgebouwd. Daarnaast stelt [eiseres] dat haar inzageverzoek onvoldoende is gehonoreerd omdat het door de minister verstrekte overzicht onvolledig was en de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bepaalde informatie niet is verstrekt. De minister heeft volgens [eiseres] ook onvoldoende gemotiveerd waarom hij naar aanleiding van het gespreksverslag van 23 augustus 2023 geen nader onderzoek heeft verricht of de minister toch geen informatie aan derden heeft verstrekt. [eiseres] stelt verder dat de minister ten onrechte het gerechtvaardigde vertrouwen dat tijdens het gesprek op 23 augustus 2023 door medewerkers van de Belastingdienst en [naam 1], werkzaam bij het Brede Ondersteuningsteam Enschede, is gewekt niet heeft gehonoreerd. Tot slot stelt [eiseres] dat de minister ten onrechte heeft beslist dat haar schadeverzoek buiten de omvang van de bezwaarprocedure valt. Volgens [eiseres] had de minister de door haar geleden schade moeten meewegen in de heroverweging omdat de schade die zij lijdt direct verband houdt met de onrechtmatige FSV-registratie. [eiseres] heeft de rechtbank verzocht om op grond van artikel 8:88 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) een schadevergoeding toe te kennen vanwege de gevolgen van de onrechtmatige registratie in de FSV én het FSV-compensatiebedrag aan haar toe te kennen.
Wat is de FSV?
5. De FSV is een computersysteem waarin de Belastingdienst tot 27 februari 2020 gegevens registreerde van belastingbetalers en ontvangers van toeslagen. In totaal zijn ongeveer 290.000 natuurlijke personen daarin geregistreerd. In de FSV werden niet alleen vermeende signalen van fraude geregistreerd. Ook als een overheidsinstantie belastinggegevens van iemand opvroeg werd dat in de FSV geregistreerd.
Heeft de minister volledig aan het inzageverzoek voldaan?
6. Artikel 15 van Pro de AVG geeft een betrokkene het recht om uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) volgt dat artikel 15 van Pro de AVG tot doel heeft dat de betrokkene zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. [1] De betrokkene heeft het recht op de informatie met betrekking tot die verwerking, zoals of de gegevens zijn verstrekt aan derden en zo ja aan wie. De AVG heeft niet tot doel de toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren.
6.1.
[eiseres] heeft de minister verzocht om een overzicht van haar persoonsgegevens te verstrekken die in de FSV zijn opgenomen. In het besluit van 26 november 2021 heeft de minister een overzicht van de persoonsgegevens van [eiseres] verstrekt. In het primaire besluit heeft de minister hetzelfde overzicht, aangevuld met een afschrift van de aantekeningen uit het DagboekPIT van de Kinderopvangtoeslag in de jaren 2008-2010, aan [eiseres] toegestuurd. De minister heeft hierover in het verweerschrift toegelicht dat deze informatie uit het archief van de TVS komt en betrekking heeft op de toezichtactie zoals benoemd onder punt 3.1. Deze stukken zijn als zodanig niet geregistreerd in de FSV en voor zover persoonsgegevens uit deze stukken in de FSV zijn opgenomen, is hierover in de besluitvorming inzage verleend, aldus de minister.
6.2.
De rechtbank overweegt dat [eiseres] onvoldoende heeft gemotiveerd tot welke informatie de minister geen inzage heeft willen geven. In beroep heeft [eiseres] alleen gesteld dat de minister heeft nagelaten om te motiveren waarom ‘bepaalde’ informatie niet is verstrekt. Voor zover [eiseres] stelt dat ambtenaren van de Belastingdienst aan haar hebben aangegeven dat dat er sterke aanwijzingen zijn voor gegevensdeling van haar persoonsgegevens uit de FSV met derden, slaagt dat betoog niet. In het gespreksverslag is staat vermeld dat twee medewerkers van de Belastingdienst, na kennisneming van de brief van 17 augustus 2023, hun vermoeden hebben uitgesproken dat de gemeente Enschede persoonsgegevens van [eiseres] heeft gedeeld met derden. Dat dit om informatie zou gaan die de minister met de gemeente Enschede heeft gedeeld, heeft [eiseres] niet nader onderbouwd. De rechtbank overweegt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij volledig op het verzoek van [eiseres] heeft beslist. Van onzorgvuldige voorbereiding of een onvolledig motivering van het bestreden besluit is niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Vertrouwensbeginsel
7. [eiseres] stelt dat ambtenaren van de gemeente Enschede bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat persoonsgegevens van haar zijn opgenomen in de FSV en ten onrechte met derden zijn gedeeld. [eiseres] wijst op de brief van 17 augustus 2023 waarin de gemeente Enschede heeft medegedeeld dat gegevens van haar zijn gedeeld. Ook stelt [eiseres] dat gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt doordat
een ambtenaar van de gemeente Enschede expliciet heeft bevestigd dat persoonsgegevens zijn gedeeld en twee medewerkers van de Belastingdienst hebben aangegeven dat zij dat ook vermoeden. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst [eiseres] naar een verslag van een gesprek dat [eiseres] op 23 augustus 2023 met twee medewerkers van de Belastingdienst heeft gevoerd. [eiseres] stelt dat het bestreden besluit door schending van het vertrouwensbeginsel geen stand kan houden omdat uit de verwachtingen die zijn gewekt blijkt dat weldegelijk persoonsgegeven door de minister zijn gedeeld en de minister daar nader onderzoek naar moet verrichten.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel er drie stappen doorlopen moeten worden. Volgens vaste rechtspraak moet [eiseres] aannemelijk maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [2] Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of [eiseres] op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan zij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden. Indien er zwaarder wegende belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor de minister de verplichting ontstaan om de geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. [eiseres] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd op basis van welke toezegging, uitlating of gedraging zij redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de minister haar persoonsgegevens met de gemeente Enschede of (andere) derden heeft gedeeld. Uit de brief van 17 augustus 2023, noch uit het gespreksverslag van 23 augustus 2023, is gebleken dat een ambtenaar van de Belastingdienst heeft bevestigd of redelijkerwijs de indruk heeft gewekt dat de minister persoonsgegevens van [eiseres] aan derden heeft verstrekt. Dat de gemeente Enschede heeft erkend dat zij zelf ten onrechte informatie van [eiseres] met derden heeft gedeeld, doet aan dat oordeel niet af. Een dergelijke bevestiging vormt naar het oordeel van de rechtbank ook geen welbewuste standpuntbepaling van een ambtenaar over het uitvoeren van een bepaalde bevoegdheid door de minister. Omdat geen sprake is van een toezegging, komt de rechtbank aan de beoordeling van de tweede en derde stap van het vertrouwensbeginsel niet toe. [3] De beroepsgrond slaagt niet.
Schadevergoeding
8. [eiseres] stelt dat de minister ten onrechte haar verzoek om schadevergoeding niet in het bestreden besluit heeft betrokken en haar erop heeft gewezen dat haar schadeverzoek door de Belastingdienst wordt afgehandeld. Omdat zij direct schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige opname van haar persoonsgegevens in de FSV, had haar schadeverzoek bij het bestreden besluit moeten worden betrokken, aldus [eiseres] . [eiseres] heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen op grond van artikel 8:88 Awb Pro en haar tevens het ‘FSV-compensatiebedrag’ toe te kennen.
Volledige heroverweging in bezwaar
8.1.
De minister heeft in beroep toegelicht dat het schadeverzoek van [eiseres] door de Belastingdienst in behandeling is genomen. Het beroep over de afwijzing van het schadeverzoek, bekend onder zaaknummer ZWO 25/1512, is ook op de zitting van 9 januari 2026 behandeld. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze procedure alleen is gericht op het verzoek om inzage zoals dit door [eiseres] bij de minister is ingediend. Met het primaire besluit heeft de minister uitsluitend het verzoek tot inzage in persoonsgegevens toegewezen. De minister heeft daarin niet ook een beslissing over schadevergoeding vanwege de onrechtmatige verwerking van deze persoonsgegevens genomen. De minister was niet gehouden om dat bij het bestreden besluit alsnog te doen naar aanleiding van het verzoek van [eiseres] in het bezwaarschrift. De omvang van het geding in bezwaar was beperkt tot de reikwijdte en de strekking die het primaire besluit heeft, gelet op het onderliggende verzoek en de daarop toepasselijke wettelijke bepalingen. Dat de minister in het bestreden besluit geen beslissing over schadevergoeding heeft genomen, kan dus geen grond zijn voor vernietiging van dat besluit. [4] Het betoog slaagt in zoverre niet.
FSV-compensatiebedrag
8.2.
De rechtbank stelt vast dat [eiseres] in beroep niet heeft toegelicht op welk compensatiebedrag zij aanspraak maakt en uit welke factoren dat bedrag is opgebouwd. De rechtbank overweegt dat het verzoek onvoldoende is gemotiveerd en al om die reden niet kan worden toegewezen.
Schadeverzoek artikel 8:88 Awb Pro.
8.3.
[eiseres] heeft de rechtbank verzocht om met toepassing van artikel 8:88 Awb Pro zelf een schadevergoeding vast te stellen. [eiseres] stelt materiële en immateriële schade te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige verwerking van haar persoonsgegevens in de FSV.
8.4.
Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (de Wns) in werking getreden. Op grond van artikel V, tweede lid, van de Wns is titel 8.4 van de Awb over schadevergoeding, niet van toepassing op schade, veroorzaakt door besluiten of andere handelingen van de Belastingdienst/Toeslagen of van andere bestuursorganen voor zover genomen of verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen taken. Dit betekent dat titel 8.4 van de Awb, en daarmee artikel 8:88 van Pro de Awb, niet van toepassing is op het schadeverzoek van [eiseres] , maar het recht zoals dat voor 1 juli 2013 van toepassing was. [5]
8.5.
Op grond van het aldus toepasselijke oude recht is de bestuursrechter bevoegd een oordeel te geven over een verzoek om schadevergoeding indien dat verzoek gedurende een bij hem aanhangige beroepsprocedure is gedaan (artikel 8:73, eerste lid, van de Awb (oud)), of indien een dergelijk verzoek bij het bestuursorgaan is gedaan en dat bestuursorgaan daarop een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb heeft genomen.
8.6.
[eiseres] heeft het verzoek om schadevergoeding gedurende deze beroepsprocedure gedaan, zodat de bestuursrechter bevoegd is het schadeverzoek te beoordelen. Op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb (oud) heeft [eiseres] alleen recht op schadevergoeding als het bestreden besluit over haar inzageverzoek onrechtmatig is en de rechtbank het beroep daarom gegrond verklaart. Wat [eiseres] in beroep heeft aangevoerd leidt echter niet tot de conclusie dat het bestreden besluit op haar verzoek om inzage onrechtmatig is. Op deze grond bestaat geen aanleiding voor een schadevergoeding.
8.7.
Voor zover [eiseres] stelt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige verwerking van haar persoonsgegeven in de FSV – en dus niet als gevolg van de besluitvorming op haar inzageverzoek – overweegt de rechtbank als volgt. De bestuursrechter is slechts bevoegd tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de gestelde schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Dit is het zogenoemde vereiste van processuele connexiteit (zie onder meer de uitspraak van 6 mei 1997, ECLI:NL:RVS:1997:AA6762). [6]
8.8.
De gestelde schadeoorzaak is bepalend bij de beantwoording van de vraag of tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid beroep openstaat bij de bestuursrechter. De verwerking van persoonsgegevens, zoals in dit geval het opnemen van persoonsgegevens van [eiseres] in de FSV respectievelijk het door [eiseres] gestelde delen van haar persoonsgegevens met de gemeente Enschede, is een feitelijke handeling. Deze verwerking is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Tegen een gestelde schadeveroorzakende uitoefening van deze publiekrechtelijke bevoegdheid staat geen beroep open bij de bestuursrechter. De conclusie is dat uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd is ter zake van de gestelde schadeoorzaak de vordering van [eiseres] te beoordelen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en [eiseres] geen gelijk krijgt. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
10. De rechtbank (bestuursrechter) is onbevoegd om van het schadeverzoek van [eiseres] kennis te nemen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- verklaart zich onbevoegd om van het schadeverzoek kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De Afdeling van 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:483, r.o. 6 en de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3844, r.o. 5.1.
2.Zie de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694 en de Centrale Raad van Beroep van 25 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1156.
3.De Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, r.o. 11.
4.Zie de Afdeling van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5890, r.o. 6.1.
5.Zie de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2891, r.o. 14.
6.Zie ook de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2891, r.o. 18 en de Afdeling van 18 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3746, r.o. 10.9.