Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2015 in de zaak tussen
[eiser] , te Rotterdam, eiser,gemachtigde: mr. H. Jonker,
Procesverloop
€ 4.639,- opgelegd.
Overwegingen
1 januari 2013 tot 1 november 2013 heeft eiser € 3.703,70 teveel aan netto bijstand ontvangen. De boete dient op een bedrag van (€ 374,32 + € 3.703,70 =) € 4.078,02 te worden vastgesteld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, zodat terecht een boete is opgelegd. Er is ook geen aanleiding om de boete te matigen vanwege verminderde verwijtbaarheid. Evenmin is gebleken van dringende redenen om af te zien van het opleggen van een boete noch van bijzondere omstandigheden, die aanleiding zouden kunnen zijn voor matiging van de boete, aldus verweerder.
€ 935,81 =) € 280,74. Voor de periode april, mei, juli en oktober 2013 is de boete, vanwege opzettelijk handelen in strijd met inlichtingenverplichting, gelijk aan 100% van de netto te veel verstrekte bijstand ad € 3.703,70. Afgerond op een veelvoud van € 10,- naar beneden komt dat neer op een bedrag van € 3.700,-. De totale boete komt hiermee op een bedrag van (€ 280,74 + € 3.700,- =) € 3.980,74.
28 mei (lees: maart) 2014, ECLI:NL:HR:2014:685.
Daartoe overweegt de rechtbank dat niet wordt betwist dat op naam van eiser geregistreerd staande auto’s naar [werelddeel] zijn geëxporteerd. Aannemelijk is dat sprake is geweest van op geld waardeerbare transacties. Anders dan eiser heeft betoogd, had het voor hem redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zijn activiteiten en de in dat verband verrichte transacties van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Daarbij is niet alleen van belang of eiser daadwerkelijk inkomsten heeft ontvangen, maar ook welke inkomsten hij, gelet op de omvang van de activiteiten, redelijkerwijs had kunnen bedingen of ontvangen. Door verweerder niet op de hoogte te stellen, heeft eiser zijn inlichtingenverplichting geschonden. Aan de door eiser overgelegde verklaring van [[X]] kan niet de betekenis worden toegekend die eiser daaraan hecht, nu die verklaring niet met objectieve en verifieerbare gegevens is onderbouwd.
Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van deze boeteoplegging af te zien is niet gebleken.
Beslissing
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-, te betalen aan eiser.
mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van mr. S.M. Joseph, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2015.