ECLI:NL:RBROT:2019:8139
Rechtbank Rotterdam
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boetes voor overtreding van artikel 116 Pensioenwet door pensioenfonds en vermogensbeheerder
De Rechtbank Rotterdam heeft op 12 juni 2019 uitspraak gedaan in de zaken tegen [eiseres] en [eiser] over bestuurlijke boetes opgelegd door De Nederlandsche Bank (DNB). Deze boetes betreffen overtredingen van artikel 116 van Pro de Pensioenwet, omdat het pensioenfonds belegde met aanzienlijke bedragen andere middelen dan de premiegelden.
DNB stelde vast dat het pensioenfonds via een samenwerkingsovereenkomst met [eiseres] beleggingsactiviteiten uitvoerde die niet in lijn waren met pensioenactiviteiten, waaronder dividendarbitrage gefinancierd met geleend geld en derivaten. Dit leidde tot bestuurlijke boetes van bijna €5 miljoen voor [eiseres] en €50.000 voor [eiser]. Na bezwaar verlaagde DNB de boete voor [eiseres] aanzienlijk.
De rechtbank oordeelde dat de overtreding van artikel 116 Pw Pro was bewezen en dat [eiseres] als medepleger kon worden aangemerkt vanwege bewuste en nauwe samenwerking met het pensioenfonds. [Eiser] werd aangemerkt als feitelijk leidinggever. Verweren over voorzienbaarheid, ne bis in idem, vertrouwensbeginsel en verjaring werden verworpen. De rechtbank verklaarde het beroep van [eiseres] niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de boetehoogte en wees de beroepen verder af. Proceskosten werden deels toegewezen aan [eiseres].
Uitkomst: Bestuurlijke boetes bevestigd; boete aan [eiseres] verlaagd; beroepen grotendeels ongegrond.