Eiser heeft op 5 augustus 2022 een verzoek ingediend bij de Korpschef van politie om verwijdering van zijn persoonsgegevens op grond van de AVG. Verweerder besloot pas op 4 september 2023, ruim na de wettelijke termijn van één maand, op dit verzoek. Eiser stelde verweerder op 7 september 2022 in gebreke en startte een beroep wegens niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat eiser ontvankelijk is in zijn beroep, ondanks dat hij soortgelijke verzoeken bij meerdere bestuursorganen heeft ingediend, omdat hij dit verklaarde vanuit negatieve ervaringen met gegevensverwerking. De rechtbank waarschuwt echter voor mogelijk misbruik van procesrecht bij herhaling.
De rechtbank stelt vast dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd wegens de overschrijding van de beslistermijn, en stelt deze vast op het maximale bedrag van €1.442,-. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de redelijke termijn nog niet was verstreken op het moment van uitspraak.
Ten slotte bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van €184,- moet vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter S.E.C. Debets op 5 september 2025.