Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit Dordrecht, eiser
het Dagelijks Bestuur van GR Sociaal, het dagelijks bestuur
Samenvatting
Procesverloop
Het bestreden besluit
Ten aanzien van de periode van 26 april 2021 tot en met 1 maart 2024 en van 20 september 2024 tot februari 2025 heeft het dagelijks bestuur aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat op grond van de artikelen 43 en 44 van de Pw [1] in beginsel geen bijstand wordt verleend in kosten die betrekking hebben op een periode in het verleden. De door eiser gestelde woonkosten (maandelijkse huur van € 250,- voor een garagebox en hotelovernachtingen) zijn al gemaakt en voldaan.
De maandelijkse woonkosten van eiser zijn gelijk te stellen aan de kosten voor de daklozenopvang. Eiser wordt door het toepassen van een korting op de uitkering ongelijk behandeld ten opzichte van bijvoorbeeld vluchtelingen en daklozen die zijn ondergebracht in een hotel.
Eiser heeft tijdens de zitting de beroepsgrond dat een gemeente altijd de mogelijkheid heeft om op grond van artikel 16 Pw Pro bijstand toe te kennen indien zeer dringende redenen daartoe nopen, ingetrokken.
Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om consequenties te verbinden aan het gegeven dat de bijstandsuitkering van eiser blijkens de betalingsspecificatie van februari 2025 niet is gewijzigd ten opzichte van wat blijkt uit de voorgaande betalingsspecificaties. [6] Het betoog van eiser dat op geen enkele wijze invulling is gegeven aan artikel 18, eerste lid, van de Pw, slaagt niet. Voor individuele afstemming in de vorm van een (verlaging dan wel een) verhoging van de bijstand is slechts plaats in zeer bijzondere situaties. Een zeer bijzondere situatie kan zich voordoen als door de lage norm het bestaansminimum niet (meer) is gewaarborgd. Het is aan degene die zich beroept op deze afstemming om de zeer bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken. [7] Daar is eiser niet in geslaagd. De rechtbank betrekt daarbij dat eiser zijn stelling dat hij schulden heeft niet heeft onderbouwd en dat het dagelijkse bestuur tijdens de zitting heeft toegelicht dat niet aannemelijk is geworden dat eiser door de verlaging van de bijstand in een financieel schrijnende situatie is gekomen.
4.6 Voor het oordeel dat de maandelijkse kosten van € 250,- aan de garagebox gelijk zouden moeten worden gesteld aan de kosten voor de daklozenopvang, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. De uitspraken [8] waar eiser tijdens de zitting naar heeft verwezen, maken dit oordeel niet anders. Zo is in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat in de besluitvorming ten onrechte ervan uit is gegaan dat de betrokkene geen woonlasten heeft. In de situatie van eiser heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat eiser kosteloos gebruik kan maken van de daklozenopvang, wat nog is geverifieerd bij de betrokken medewerkers van de daklozenopvang. Eiser heeft hier uitsluitend tegenover gezet dat het hem bekend is dat er in Den Haag een wachtlijst voor opvang van daklozen is. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van de door het dagelijks bestuur gegeven toelichting te twijfelen. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam kan eiser dan ook niet baten.
In de uitspraak van de voorzieningenrechter is het verzoek toegewezen, omdat bij die betrokkene sprake was van bijzondere omstandigheden. De betrokkene heeft namelijk als gevolg van de ontruiming uit haar woning kosten moeten maken voor de opslag voor haar spullen en die kosten (€ 300,- per maand) zijn ongeveer gelijk aan het bedrag dat in mindering is gebracht (20% van de bijstandsuitkering van de betrokkene). Anders dan in die uitspraak gebruikt eiser de door hem gehuurde garagebox immers (ook) om daar te verblijven terwijl dit verblijf in strijd is met het bestemmingsplan, zodat het dagelijks bestuur terecht heeft geconcludeerd dat deze kosten niet kunnen worden vergoed.