AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag op grond van Wet hersteloperatie toeslagen
Eiseres heeft compensatie gevraagd voor de jaren 2013 tot en met 2016 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), nadat de Dienst Toeslagen haar aanvraag had afgewezen. De rechtbank beoordeelt dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geoordeeld dat er geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, omdat eiseres een toeslagpartner had die niet voldeed aan de voorwaarden van de Wet kinderopvang.
Eiseres voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder vooringenomenheid, onjuiste verrekeningen, het ontbreken van een vooraankondiging en schending van artikel 19 AwirPro. De rechtbank verwierp deze gronden, stellende dat de Dienst Toeslagen de feiten voldoende heeft onderzocht en dat de wettelijke termijnen en procedures juist zijn toegepast. Ook het verzoek om aanvullende stukken werd afgewezen omdat deze niet relevant waren voor het bestreden besluit.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat inmiddels op het bezwaar was beslist. De rechtbank kende eiseres wel een beperkte proceskostenvergoeding toe voor het tijdig instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard, waarmee de afwijzing van de compensatie definitief is.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van compensatie kinderopvangtoeslag wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9108
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. Köse - Albayrak),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2013 tot en met 2016 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de compensatie voor de jaren 2013 tot en met 2016 terecht heeft afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Procesverloop
2. Met besluiten van 3 augustus 2022 (UHT-DC-I A en UHT-DH5A) is compensatie voor de jaren 2013 tot en met 2016 afgewezen.
2.1.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit met kenmerk UTH-DC-I A (het primaire besluit).
2.2.
Eiseres heeft op 1 oktober 2024 beroep ingediend wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiseres van 5 september 2022.
2.3.
Met het besluit van 25 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 3 augustus 2022 (UHT-DC-I A) ongegrond verklaard.
2.4.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van
3 augustus 2022 heeft van rechtswege betrekking op het bestreden besluit.
2.5.
Eiseres heeft het beroep gehandhaafd en aanvullende beroepsgronden ingediend. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft met een brief van 8 december 2025 vragen aan eiseres gesteld die door eiseres met een brief van 15 december 2025 zijn beantwoord.
2.7.
Eiseres heeft met een brief van 7 januari 2026 nadere beroepsgronden ingediend. De Dienst Toeslagen heeft hierop gereageerd met een aanvullend verweerschrift van 3 februari 2026 met aanvullende stukken.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
2.9.
Op de zitting is de behandeling van het beroep aangehouden om de Dienst Toeslagen in de gelegenheid te stellen de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2013 nader toe te lichten. Met een brief gedateerd 3 februari 2026, ontvangen op 20 februari 2026, heeft de Dienst Toeslagen een nadere toelichting gegeven. Met toestemming van partijen is het onderzoek, zonder nadere zitting, gesloten.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft een kind, geboren op 1 november 2012. Op 29 december 2020 heeft eiseres zich bij de Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en heeft zij verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 tot en met 2016.
3.1
Met het primaire besluit is de aanvraag om compensatie afgewezen. Met het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. De Dienst Toeslagen heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat er over de periode van 1 juni 2013 tot en met 28 november 2016 evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond omdat eiseres een toeslagpartner had die geen werkzaamheden verrichtte en geen doelgroeper was als bedoeld in artikel 1.6. eerste lid, van de Wet kinderopvang (Wko). Volgens de Dienst Toeslagen is onvoldoende vast komen te staan dat, zoals eiseres heeft betoogd, de inschrijving van de toeslagpartner in de basisregistratie personen (BRP) op hetzelfde adres als eiseres over de periode van 17 augustus 2012 tot en met 28 november 2016 alleen bedoeld was als inschrijfadres. Verder is volgens de Dienst Toeslagen, met de toezending van het bezwaardossier en bijbehorende producties, het overleggen van een persoonlijk dossier niet nodig. Het primaire besluit is voldoende gemotiveerd. Met betrekking tot de hoogte van de berekening van de vergoeding voor immateriële schade, de overschrijding van de termijn genoemd in artikel 19 AwirPro, de verrekeningen en het vermeend discriminatoir handelen, verwijst de Dienst Toeslagen naar de mogelijkheid tot het indienen van een schadeverzoek bij de Commissie Werkelijke Schade.
Het wettelijke kader
4. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2013 tot en met 2016 heeft afgewezen. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen
6. Voordat de rechtbank het beroep inhoudelijk behandelt, beoordeelt zij eerst het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen met het bestreden besluit alsnog heeft beslist op het bezwaar van eiseres. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk.
Vooringenomen handelen
7. Eiseres heeft in de jaren 2013 tot en met 2016 kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst/Toeslagen ontvangen. Bij de berekening van de hoogte van de kinderopvangtoeslag in die jaren is Belastingdienst/Toeslagen ervan uitgegaan dat eiseres een toeslagpartner had. De toenmalige partner van eiseres – met wie zij een minderjarig kind heeft – stond tot en met 28 november 2016 op haar woonadres ingeschreven in de BRP.
7.1.
Eiseres voert aan dat haar ex-partner in de jaren 2013 tot en met 2016 niet feitelijk bij haar heeft gewoond en dat ze ook geen informatie had over zijn inkomenssituatie. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat ze onder druk werd gezet door haar ex-partner en dat hij zich niet bij de BRP wilde laten uitschrijven. Dat de ex-partner niet heeft gewerkt, zou volgens eiseres nergens uit blijken. Uit het besluit van 7 januari 2016, de definitieve berekening van de toeslag over 2014, valt volgens eiseres op te maken dat de ex-partner over het jaar 2014 inkomen heeft gehad. De Dienst Toeslagen zou de feitelijke situatie bij de nihilstelling en terugvordering niet hebben onderzocht.
7.2.
De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar standpunt. De vaststelling van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2013 tot en met 2016 is in overeenstemming met het bepaalde over het toeslagpartner begrip als bedoeld in artikel 3 vanPro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). In dit artikel is – kort gezegd – bepaald dat iemand onder meer een toeslagpartner is als diegene op hetzelfde woonadres staat ingeschreven in de BRP als de belanghebbende en uit die relatie met de belanghebbende een kind is geboren. In het telefonisch contact dat eiseres op 8 februari 2017 met de Dienst Toeslagen heeft gehad, heeft eiseres aangegeven dat het klopt dat haar toeslagpartner per 28 november 2016 is verhuisd. Dat de toeslagpartner in de periode vanaf 2013 feitelijk niet op het adres van eiseres zou hebben gewoond, heeft eiseres toen niet kenbaar gemaakt en is naar het oordeel van de rechtbank niet met objectiveerbare en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. De Dienst Toeslagen is daarom terecht uitgegaan van een toeslagpartner.
7.3.
Ook heeft de Dienst Toeslagen, naar het oordeel van de rechtbank, terecht geconcludeerd dat er evident geen recht bestond op kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft immers verklaard dat haar partner niet werkte, geen opleiding volgde en niet deelnam aan een re-integratietraject. Het is daarom niet aannemelijk gemaakt dat de toeslagpartner voldeed aan de voorwaarde van artikel 1.6, derde lid van de Wko. Bovendien heeft de Dienst Toeslagen met het aanvullend verweerschrift van 3 februari 2026 en de daarbij overgelegde stukken onderbouwd dat het inkomen van zowel eiseres als van haar toeslagpartner bestond uit een bijstandsuitkering en dat eiseres geen re-integratietraject volgde. Dit standpunt is weliswaar pas laat ingenomen, maar aangezien dit het primaire standpunt van de Dienst Toeslagen nader onderbouwt, acht de rechtbank dit toelaatbaar omdat eiseres hier geen nadeel van ondervindt. De Dienst Toeslagen heeft, voordat er tot nihilstelling en terugvordering werd overgegaan, de feitelijke situatie onderzocht. Er is met brieven van 11 juni 2015 en 13 augustus 2015 verzocht om informatie voor het jaar 2014. Voor het jaar 2015 is dit met brieven van 12 september 2016 verzocht. Na de nihilstelling van de kinderopvangtoeslag over 2015 en 2016 is met de brief van 3 december 2016 nogmaals om informatie verzocht. Dat er tot terugvordering is overgegaan nadat deze brieven niet zijn beantwoord, duidt naar het oordeel van de rechtbank niet op vooringenomenheid.
7.4.
Het feit dat er alsnog bij de herbeoordeling in 2022 over de maand december 2016 is vastgesteld dat eiseres nog recht heeft op een bedrag van € 135,- aan kinderopvangtoeslag, leidt niet tot de conclusie dat er sprake was van vooringenomen handelen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in 2016. Het gaat hierbij om een correctie. Eiseres heeft pas in 2017 doorgegeven dat de toeslagpartner per 26 november 2016 is uitgeschreven. Aanvankelijk is de Dienst Toeslagen er daarom van uitgegaan dat de toeslagpartner het gehele jaar 2016 was ingeschreven bij eiseres. Omdat de toeslagpartner met terugwerkende kracht is uitgeschreven is de kinderopvangtoeslag over december 2016 later gecorrigeerd.
Verrekeningen
8. Eiseres heeft verder betoogd dat zij recht heeft op compensatie omdat de Dienst Toeslagen terugvorderingen van kinderopvangtoeslag heeft verrekend met onder meer andere toeslagen en daarbij onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet omdat het enkele feit dat de Dienst Toeslagen terugvorderingen van kinderopvangtoeslag heeft verrekend, niet kan leiden tot compensatie. Dat volgt uit het systeem van de Wht en uit de wetsgeschiedenis. [1]
Hardheidsregeling
9. Eiseres voert aan dat er ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de hardheidsregeling omdat de kinderopvangtoeslag met meer dan € 1.500,- is verlaagd en er bij de invordering hard is opgetreden.
9.1.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht volgt dat van hardheid van het stelsel als bedoeld in onderdeel b sprake is als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.
9.2.
De toepassing van de hardheidsclausule is beperkt tot gevallen waarin een aanvrager van een kinderopvangtoeslag schade heeft geleden in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. [2] Zoals hiervoor is vastgesteld, heeft eiseres geen recht op compensatie en is daarom ook geen sprake van schade. Om die reden kan dus niet worden gesproken van een onbillijkheid van overwegende aard. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Toetsing bij aanvraag
10. Eiseres stelt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte niet bij de aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft getoetst of eiseres daarop recht had.
10.1.
De Dienst Toeslagen is bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag uitgegaan van de gegevens die eiseres zelf heeft aangeleverd. Daarbij is aan eiseres eerst op basis van die gegevens een voorschot toegekend en is achteraf vastgesteld of recht op kinderopvangtoeslag bestond. Dit is het wettelijk systeem op grond waarvan de toeslagen worden toegekend. Die werkwijze geeft daarom op zichzelf geen blijk van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
11. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld door het recht op kinderopvangtoeslag te herzien buiten de in artikel 19 vanPro de Awir gestelde termijn. De Dienst Toeslagen was niet bevoegd dat te doen, omdat de in artikel 19 vanPro de Awir gestelde termijn een vervaltermijn is. Eiseres wijst daarbij op een conclusie van staatsraad advocaat-generaal Keus. [3] Uit openbare documenten blijkt dat de Dienst Toeslagen destijds bewust in strijd heeft gehandeld met artikel 19 vanPro de Awir.
11.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen recht op compensatie in het geval artikel 19 vanPro de Awir zou zijn geschonden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft naar aanleiding van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Keus geoordeeld dat de in artikel 19 vanPro de Awir gestelde termijn geen fatale termijn is, zodat de Dienst Toeslagen ook na het verstrijken van die termijn bevoegd blijft een voorschot op een toeslag te herzien of een toeslag definitief vast te stellen. [4] De Afdeling heeft bovendien geoordeeld dat het enkele feit dat de in artikel 19 vanPro de Awir gestelde termijn is geschonden, niet betekent dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. [5] Eiseres heeft onvoldoende duidelijk gemaakt uit welke openbare documenten zou blijken dat de Dienst Toeslagen destijds bewust in strijd heeft gehandeld met artikel 19 vanPro de Awir. De beroepsgrond slaagt niet.
Geen vooraankondiging als bedoeld in artikel 6:7, eerste lid, van de Wht verzonden
12. Eiseres heeft verder aangevoerd dat zij ten onrechte geen vooraankondiging heeft ontvangen waarop zij haar zienswijze kenbaar had kunnen maken.
12.1.
Op grond van artikel 6.7 van de Wht, zoals dat luidde ten tijde van het definitieve besluit van 3 augustus 2022, was de Dienst Toeslagen alleen verplicht om een schriftelijke vooraankondiging te versturen als aan de ouder een compensatiebedrag zou worden toegekend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Verzoek om stukken
13. Eiseres stelt dat zij niet beschikt over de benodigde gegevens om het bestreden besluit te kunnen controleren, zoals het persoonlijke dossier of het ouderdossier. Verder ontbreken er onderbouwende stukken met betrekking tot de O/GS kwalificatie (opzet grove schuld), FSV (fraude signalering voorziening) en of er al dan niet sprake was van discriminatie. Ook zouden de SAS rapporten en de reactie van 28 februari 2024 ontbreken.
13.1
Deze procedure gaat over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit. Het verzoek van eiseres om verstrekking van het persoonlijk dossier of het ouderdossier maakt geen deel uit van dit besluit zodat de rechtbank alleen al om die reden niet over dit verzoek kan beslissen.
13.2.
Verder geldt nog het volgende. Uit artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een bestuursorgaan de op een zaak betrekking hebbende stukken in het geding moet brengen. De Dienst Toeslagen heeft de stukken waarop het bestreden besluit is gebaseerd, in het geding gebracht. De rechtbank ziet gaan aanknopingspunten voor de conclusie dat er relevante stukken ontbreken. Op basis van de overgelegde documenten is het voldoende duidelijk hoe de Dienst Toeslagen tot het bestreden besluit is gekomen.
13.3.
De rechtbank heeft in het dossier geen aanwijzingen aangetroffen dat eiseres in de FSV is opgenomen. Voor zover daar al sprake van zou zijn geweest, is dat op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld. De rechtbank overweegt hierbij dat het voor de compensatietoekenning bij de integrale beoordeling niet van belang is of eiseres geregistreerd stond in de FSV.
13.4.
De beroepsgrond van eiseres dat er geen onderbouwing is gegeven dat er geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie, slaagt niet. Uit het advies van de BAC volgt dat geen sprake is een onterechte kwalificatie O/GS. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025 [6] waaruit volgt dat het voldoende is dat de Dienst Toeslagen een toelichting geeft op de O/GS-kwalificatie.
13.5.
Vaststaat dat de SAS rapporten zich in het dossier bevinden.
13.6.
De reactie van 28 februari 2024 is wel in de beoordeling betrokken maar is door een omissie in eerste instantie niet door de Dienst Toeslagen als op de zaak betrekking hebbend stuk overgelegd.
13.7.
Eiseres heeft verder geen omstandigheden gesteld of aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat de controle van de toeslagen van eiseres onrechtmatig zou zijn geweest en voort zou zijn gekomen uit discriminatie.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar is niet-ontvankelijk.
15. Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit is ongegrond. Wel krijgt eiseres gelet op hetgeen is overwogen bij rechtsoverweging 6 een vergoeding voor haar proceskosten. Eiseres heeft immers terecht beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van het bestreden besluit. De proceskostenvergoeding wordt berekend aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het indienen van het beroepschrift door een gemachtigde levert 1 punt op en de rechtbank hanteert bij dit soort beroepszaken een wegingsfactor van 0,5. Dit levert een proceskostenvergoeding op van € 467,-. De rechtbank past de wegingsfactor ‘licht’ toe, omdat de proceskostenvergoeding alleen wordt toegekend voor het beroepschrift niet tijdig beslissen waarin het enkel gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
16. Het griffierecht dat eiseres heeft betaald voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt geacht mede te zijn voldaan voor het beroep tegen het bestreden besluit. Omdat het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit ongegrond wordt verklaard, bestaat er geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht. [7]
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr.J. Nieuwstraten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Met ingang van 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) van kracht. De compensatieregelingen zijn met ingang van die datum ondergebracht in de Wht. Op grond van het overgangsrecht worden compensatiebeschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de Wht. Daarom beoordeelt de rechtbank het beroep met toepassing van de Wht.
Artikel 2.1. van de Wht, voor zover hier van belang, luidt:
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
4. Een aanvrager van een kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, komt niet in aanmerking voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500.- aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500,- is verlaagd.
Artikel 2.2. van de Wht, voor zover hier van belang, luidt:
De compensatie bestaat uit:
a. een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, of de hardheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, vermeerderd met een bedrag voor de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering;
Artikel 2.6. van de Wht, voor zover hier van belang luidt:
1. De Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.
Artikel 6.7. van de Wht
1.Voorafgaande aan de beslissing op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, berekent de Belastingdienst/Toeslagen het voorlopige bedrag van de compensatie en informeert hij de aanvrager hierover schriftelijk door middel van een vooraankondiging.
2.De aanvrager kan binnen zes weken na de dagtekening van de vooraankondiging zijn zienswijze hierover naar voren brengen.
3.De Belastingdienst/Toeslagen stelt het bedrag van de compensatie vast na afloop van de termijn, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 6.7. van de Wht luidt per 15 juli 2023 als volgt:
1.Voorafgaande aan de beslissing op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, informeert de Dienst Toeslagen de aanvrager schriftelijk over deze beslissing door middel van een vooraankondiging. Bij een voorgenomen toekenning van de aanvraag berekent de Dienst Toeslagen het voorlopige bedrag van de compensatie en wordt de aanvrager hierover in de vooraankondiging geïnformeerd.
2.De aanvrager kan binnen twee weken na de dagtekening van de vooraankondiging zijn zienswijze hierover naar voren brengen.
3.De termijn, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van de aanvrager eenmalig verlengd tot ten hoogste zes weken vanaf de dagtekening van de vooraankondiging.
4. In het geval van toekenning van een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, stelt de Dienst Toeslagen het bedrag van de compensatie vast na afloop van de termijn, bedoeld in het tweede of derde lid.
In de Memorie van Toelichting bij de wijziging van artikel 6.7, eerste lid, van de Wht is het volgende opgenomen (Kamerstukken II 2022/23, 36 352, nr. 3, p. 8):
"In het huidige artikel 6.7, eerste lid, Wht is bepaald dat de Belastingdienst/Toeslagen voorafgaande aan de beslissing op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, Wht, het voorlopige bedrag van de compensatie berekent en de aanvrager daarover schriftelijk door middel van een vooraankondiging informeert. Na deze vooraankondiging kan de gedupeerde aanvrager zijn zienswijze geven op de vooraankondiging met de voorgenomen toekenning. De voorgestelde wijziging van artikel 6.7, eerste lid, Wht beoogt de mogelijkheid van een zienswijze door de aanvrager uit te breiden in het geval van een voorgenomen afwijzing van een aanvraag."
Op grond van artikel 1.6, eerste lid, van de Wet kinderopvang (Wko) bestaat alleen aanspraak op kinderopvangtoeslag indien de ouder in het betreffende jaar arbeid verrichte, studeerde of onder de doelgroepen van het UWV of de gemeente viel en in dat kader deelnam aan een traject gericht op arbeidsinschakeling.
Op grond van artikel 1.6, derde lid van de Wko heeft een ouder met een partner alleen aanspraak op kinderopvangtoeslag indien de partner in het betreffende jaar arbeid verrichte, studeerde of onder de doelgroepen van het UWV of de gemeente viel en in dat kader deelnam aan een traject gericht op arbeidsinschakeling.
Voetnoten
1.Zie de uitspraak van deze rechtbank van 27 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1081, 5-5.7, en de daarin vermelde passages uit de wetsgeschiedenis.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5610.