Verzoeker, eigenaar van een perceel met een bijgebouw te Goirle, kreeg op 13 juli 2018 een last onder dwangsom opgelegd wegens bedrijfsmatig gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Het college trok dit besluit op 21 februari 2019 in na bezwaar. Verzoeker vorderde vervolgens schadevergoeding wegens materiële en immateriële schade.
De rechtbank stelt vast dat het besluit onrechtmatig was, maar beoordeelt alleen het schadevergoedingsverzoek. Verzoeker stelde schade te hebben geleden door het moeten afvoeren van een hefbrug en diagnoseapparatuur, het niet ongestoord kunnen gebruiken van zijn eigendom gedurende 32 weken, de late intrekking van het besluit en immateriële schade.
De rechtbank oordeelt dat verzoeker zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door geen voorlopige voorziening te vragen, waardoor de schade deels voor zijn rekening blijft (10%). De schade aan de diagnoseapparatuur wordt niet vergoed omdat verzoeker deze had kunnen bewaren. De schade aan de hefbrug wordt deels toegewezen (€1.926,20 minus 10%). De overige schadeposten, waaronder gebruiksbeperkingen, late besluitvorming en immateriële schade, worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of onvoldoende substantieel.
De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van €1.733,58 schadevergoeding, vergoedt het griffierecht en wijst proceskosten toe aan verzoeker.